Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over 2000-2004 gebaseerd op een controle- en strafrechtelijk onderzoek naar vermeende valse facturen en onjuiste aangiften. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan voor 2000, 2001 en 2004 en wees verzoeken tot getuigenverhoor af wegens onvoldoende specificatie.
In cassatie stelde belanghebbende onder meer dat het hof ten onrechte het strafdossier laat overleggen en dat het hof onbegrijpelijk oordeelde over de omkering en verzwaring van de bewijslast. De Hoge Raad verwierp deze middelen, behalve het middel dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom voor 2004 niet de vereiste aangifte zou zijn gedaan.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest voor zover het de aanslag 2004 bevestigde en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling, waarbij eerst moet worden vastgesteld of voor 2004 de vereiste aangifte is gedaan. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten.