ECLI:NL:HR:2023:30

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
13 januari 2023
Zaaknummer
20/03545
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in valsheid in geschrift door rechtspersoon

In deze strafzaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en een geldboete van €400.000 opgelegd. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met name gericht op het oordeel van het hof dat zeven facturen valselijk waren opgemaakt.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, met een voorstel tot vermindering van de geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten van de verdachte niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze inhoudelijk te motiveren.

Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidde ertoe dat de Hoge Raad ambtshalve de geldboete verminderde van €400.000 naar €397.500. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €400.000 naar €397.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03545
Datum17 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2020, nummer 21-006246-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
gevestigd te [geboorteplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 400.000.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 397.500 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 januari 2023.