ECLI:NL:HR:2023:331
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens ontbreken belang bij dwangsom
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een beschikking over invorderingsrente en stelde dat de heffingsambtenaar niet tijdig uitspraak had gedaan op het bezwaar. Na ingebrekestelling verlangde belanghebbende een dwangsombeschikking wegens deze vertraging.
De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar gegrond en stelde de invorderingsrente bij. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen sprake was van een dwangsombeschikking en het college inmiddels had ingestemd met de dwangsom, die ook was uitbetaald.
Het verzet tegen deze uitspraak werd ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat het ging om een dwangsombeschikking. De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende weliswaar een dwangsombeschikking verlangde, maar dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is omdat de dwangsom reeds is betaald en het belang bij cassatie ontbreekt.
De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang omdat de dwangsom reeds is uitbetaald.