Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar van de Inspecteur inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voor dertien auto’s. Na eerdere procedures en vernietigingen door het Hof en de Hoge Raad, zijn nieuwe uitspraken op bezwaar gedaan waarop belanghebbende opnieuw beroep instelde.
Het Hof behandelt diverse formeelrechtelijke grieven, waaronder de bevoegdheid van nationale rechters om Unierecht toe te passen, de toepassing van artikel 16a Wet bpm, de overgang van NEDC- naar WLTP-testmethoden, de toepassing van het voordeligste tussenliggende tarief, de 12%-regeling, BTW/marge-correcties, extra leeftijdskorting, interne compensatie, rentevergoeding en kostenvergoedingen.
Het Hof oordeelt dat de meeste grieven ongegrond zijn, onder meer omdat de auto’s vóór 1 september 2017 zijn toegelaten en de Inspecteur de Wet bpm correct heeft toegepast. De 12%-regeling wordt niet meer toegepast sinds een arrest van de Hoge Raad in 2012. De Inspecteur heeft op coulancebasis correcties toegestaan voor BTW/marge in enkele zaken. De interne compensatie is toegestaan en het verzoek tot rentevergoeding moet via een afzonderlijk verzoek worden ingediend.
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst het Hof toe dat alleen in twee zaken een aanvullende vergoeding van € 1.000 wordt toegekend, omdat andere standpunten geen pleitbaar financieel belang opleveren. De Inspecteur wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en de helft van het griffierecht. De beroepen worden verder ongegrond verklaard.