Uitspraak
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
Hoge Raad
Belanghebbende betaalde in 2016 bpm bij registratie van een personenauto. De Inspecteur wees bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Gelderland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep gegrond, stelde het bpm-bedrag lager vast en wees proceskosten toe op basis van een nieuwe waardering per punt vanaf 1 juli 2021. Het Hof wees een vergoeding wegens termijnoverschrijding in hoger beroep af, omdat de coronapandemie een verlenging rechtvaardigde.
De Hoge Raad oordeelt dat het discriminatieverbod vereist dat de oude waarde per punt wordt toegepast en dat de coronapandemie niet zonder meer een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. De redelijke termijn is overschreden, waardoor een vergoeding van €500 wordt toegekend. Tevens worden proceskosten op basis van de actuele puntwaarde toegekend en worden griffierechten vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad kent een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.