Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over medeplegen van witwassen van geldbedragen in auto’s, gepleegd in strijd met artikel 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. De verdachte stelde onder meer dat sprake was van vormverzuimen, waaronder een onrechtmatige doorzoeking van de auto en het niet geven van de cautie, en verzocht om bewijsuitsluiting en strafvermindering op grond van artikel 359a Sv.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter, met raadsheren Buruma en Röttgering. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in stand blijft. De advocaat-generaal had ook geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen blijft in stand.