Conclusie
Overwegingen ten aanzien van het vooronderzoek
op weg wasvanuit Duitsland naar België om daar zijn broer te bezoeken (cursivering van mij, A-G). Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2021 van verbalisant [verbalisant 1] en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat de verdachte op de A2 ter hoogte van Vianen in de richting van Amsterdam reed en ter hoogte van Breukelen naar de carpoolplaats bij het station is geleid. De verdachte reed dus vanuit Duitsland sterk afwijkend van – en in Nederland tegenovergesteld aan – de route die naar België loopt. Zijn verklaring voor deze bijzondere reisbeweging, te weten dat hij in Amsterdam wilde overnachten in een hotel, is toch moeilijk serieus te nemen, in aanmerking genomen dat Amsterdam niet op de route ligt wanneer men zegt van Duitsland op weg te zijn naar België en de verdachte, zoals de verbalisanten hebben gerelateerd, vanuit zuidelijke richting kwam. Voorts heeft de verdachte wisselend verklaard over wie de eigenaar was van de auto waarin hij reed. Zoals de steller van het middel terecht aanvoert heeft het hof daarbij onvermeld gelaten dat in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] is opgenomen dat de verdachte aanvankelijk had verklaard dat de auto van zijn zwager was, en de verdachte pas nadat hij de naam van zijn zwager schuldig moest blijven zijn verklaring bijstelde en zei dat de auto van de broer van zijn zwager was (van wie hij de naam evenmin wist). Bij dit alles komt het ervaringsgegeven van de verbalisanten dat op de route tussen Amsterdam en België veelvuldig personen met de Albanese nationaliteit worden aangetroffen die grote geldbedragen en/of verdovende middelen vervoeren. Maar ook los van dit ervaringsgegeven acht ik het bestreden oordeel van het hof dat de doorzoeking van de door de verdachte bestuurde auto onrechtmatig was wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit niet begrijpelijk gemotiveerd.
NJ2021/169, m.nt. Jörg heeft de Hoge Raad benadrukt dat bij de beoordeling van vormverzuimen acht moet worden geslagen op het beginsel van subsidiariteit en dus als uitgangspunt heeft te gelden dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het minst verstrekkende rechtsgevolg (rov. 2.1.3).
NJ2013/308, m.nt. Keulen overwogen dat bewijsuitsluiting onder meer noodzakelijk kan zijn ter verzekering van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven. Opmerking verdient voorts dat het beoordelingskader wat bewijsuitsluiting betreft door de Hoge Raad is bijgesteld in het eerder genoemde arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
NJ2021/169, m.nt. Jörg. De Hoge Raad heeft daarbij het volgende overwogen:
Bewijsuitsluiting