Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
11 april 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een bedrag van €1.408.739,84, afkomstig uit een grootschalige beleggingsfraude rond een biodieselproject. Het hof stelde vast dat de verdachte bekend was met de financiële problemen van haar en haar echtgenoot, en actief meewerkte om inkomsten buiten het faillissement te houden, onder meer door vennootschappen en bankrekeningen op haar naam te zetten.
Het hof concludeerde dat de verdachte wist dat het geld afkomstig was uit misdrijf, namelijk oplichting door medeverdachten die beleggers misleidden met valse informatie over het project. De verdachte en haar echtgenoot leefden van de ingelegde gelden, zonder dat er investeringen of terugbetalingen aan beleggers plaatsvonden.
De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 240 uren. De Hoge Raad oordeelde dat een deel van de overwegingen van het hof in strijd was met de onschuldpresumptie, maar dit geen reden gaf tot cassatie wegens gebrek aan belang. Wel werd het beroep gegrond verklaard op grond van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de taakstraf werd verminderd naar 228 uren, subsidiair 114 dagen hechtenis.
De overige klachten van de verdachte werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de omvang van de taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, en handhaafde de bewezenverklaring en de rest van het vonnis.
Uitkomst: Veroordeling tot geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en taakstraf van 228 uren wegens medeplegen witwassen.