3.2Met betrekking tot de bewijsvoering houdt het bestreden arrest – met inbegrip van de voetnoten – het volgende in:
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde conform de rechtbank heeft beslist.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op verschillende gronden aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] , voor zover nodig worden die hierna weergegeven en besproken. Met betrekking tot de contante betalingen en geldstortingen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van witwassen omdat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven dat de gelden een legale herkomst hebben. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de verdediging geen bewijs verweren gevoerd.
Beoordeling van het hof ten aanzien van zaak A feit 1
Ten aanzien van de vijf horloges uit de erfenis van [naam 1]
Evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof het witwassen van deze horloges niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de Mercedes Benz uit de erfenis van [naam 1]
Vaststellingen
Het hof stelt, in lijn met het vonnis van de rechtbank, het volgende vast ten aanzien van de contante stortingen en de betalingen voor luxe goederen.
Er is onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte. Uit een iCOV-bevraging is gebleken dat de verdachte een uitkering ontving van de gemeente Amsterdam. In 2016 was zijn netto-inkomen € 11.693,00 en ontving hij zorgtoeslag. [betrokkene 1] , de partner van de verdachte, had in 2016 een netto-inkomen van € 13.118,00. Daarnaast ontving zij een kindgebonden budget en zorgtoeslag. Verder had zij per 10 augustus 2016 een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en per 24 april 2017 een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] op haar naam staan.[1]
Vervolgens is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van de verdachte. In de periode van 3 februari 2016 tot en met 23 februari 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een Rabobank-rekening met nummer [rekeningnummer 4] . Van 22 januari 2017 tot en met 12 oktober 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een ING-rekening met nummer [rekeningnummer 3] .[2] Op de Rabobank-rekening zijn tussen 5 januari 2016 en 16 januari 2017 21 contante stortingen gedaan, onder meer in coupures van € 200,00. Het totaalbedrag dat op deze rekening is gestort bedraagt € 34.977,00. Op de ING-rekening zijn 14 contante storingen gedaan in de periode van 7 februari 2017 tot en met 30 oktober 2017. In totaal is er € 73.060,00 op deze rekening gestort.[3]
Op 6 november 2017 is de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. De verdachte verblijft samen met zijn partner op dat adres. Bij deze doorzoeking zijn verschillende facturen aangetroffen[4], waaronder een factuur van [bedrijf 2] B.V. van 7 februari 2017, gericht aan “ [verdachte] ” met adres [a-straat 1] te [plaats] . De factuur heeft betrekking op de aankoop van een KIA Sportage, waarbij als aanbetaling € 5.000,00 contant is betaald.[5] Ook is een factuur aangetroffen van hetzelfde autobedrijf van 24 april 2017, wederom gericht aan “ [verdachte] ”. Die factuur heeft betrekking op dezelfde aankoop van de KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] voor een totaalbedrag van € 19.150,00. Op die factuur is aangegeven: contant voldaan.[6] De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voomoemde KIA Sportage inderdaad contant heeft betaald.[7]
Verder is een factuur aangetroffen van [bedrijf 1] te [plaats] van 9 augustus 2016, gericht aan [betrokkene 1] met adres [a-straat 1] te [plaats] . Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] voor een bedrag van € 18.500,00.[8] De eigenaar van [bedrijf 1] is op 20 december 2017 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat hij een man en vrouw heeft ontmoet en gesproken over de aankoop van de Audi A6. De man was groot en breed en had een donkere huidskleur. De auto is op naam van de vrouw', [betrokkene 1] , gezet. Aan de getuige was gevraagd hoeveel er contant kon worden betaald.[9] De getuige is akkoord gegaan met een betaling via de bank van € 12.500,00. De man heeft bij het ophalen van de auto € 6.000,00 contant betaald. De verdachte is verder op verschillende momenten geobserveerd door het onderzoeksteam. Op verschillende data (24 en 27 juli 2017 en 27 en 31 oktober 2017) is gezien dat de verdachte in de Audi A6 reed.[10]
Bij de doorzoeking werd ook een betalingsbewijs van Clinique [...] van 21 mei 2017 aangetroffen, dat is gericht aan [verdachte] en betrekking heeft op een liposuctie aan de buik ter waarde van € 3.115,00. Dat bedrag is contant voldaan.[11]
De verdachte stond indertijd ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Op dat adres heeft eveneens een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is een factuur aangetroffen.[12] Het betreft een factuur van Seats en Sofas B.V. van 31 mei 2017 van € 2.199,00 die betrekking heeft op de aanschaf van onder meer meubels en kussens. De factuur is gericht aan [verdachte] met adres [b-straat 1] te [plaats] . Op 7 april 2017 is een aanbetaling van € 500,00 gedaan. Op 31 mei 2017 is het restant van € 1.699,00 contant voldaan.[13]
Verder is bij de aanhouding van de verdachte op 6 november 2017 een horloge aangetroffen. Het gaat om een Rolex Oyster Perpetual van het type Datejust met serienummer [0003] .[14] Er is onderzoek gedaan naar de echtheid van dat horloge. Gebleken is dat het horloge echt was en tussen de € 7.100,00 en € 10.500,00 waard is.[15] Ten slotte zijn onder de verdachte nog andere geldbedragen en luxe goederen inbeslaggenomen, deze staan op de beslaglijst, die als bijlage I aan dit arrest is gehecht.
Beoordeling
Het hof stelt vast dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld uit welk(e) gronddelict(en) bovengenoemde geldbedragen afkomstig zijn. Daarmee is naar bestendige jurisprudentie ter zake van witwassen het zogenoemde zes-stappenplan van toepassing.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (Vgl. ECLI:NL:HR:2018:2352 en ECLI:NL:HR:2024:1153). De tweede stap van het stappenplan ziet op de vraag of op grond van de feiten en omstandigheden uit het dossier sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte beschikt over onverklaarbaar vermogen. De verdachte en zijn vriendin hebben een inkomen op uitkeringsniveau en beschikken over bankrekeningen met een nihil of negatief saldo.[16] Desondanks is er, nog los van de contante betalingen, in de periode van 5 januari 2016 tot en met 30 oktober 2017 een bedrag van in totaal € 108.037,00 contant geld op de twee rekeningen van de verdachte gestort.[17] Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en ligt het op de weg van de verdachte om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van deze geldbedragen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de op de bankrekening van de verdachte gestorte contante geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Het geld was deels afkomstig van de verkoop van onroerend goed in Suriname en deels afkomstig van de (biologische) vader van de verdachte. Ook heeft de verdachte € 12.500,00 geleend van zijn schoonzus en € 30.000,00 in contanten geleend van [medeverdachte] . Het hof overweegt ten aanzien van deze verklaringen als volgt.
Verkoop van een perceel in Suriname
De verdachte heeft allereerst in een in december 2017 opgestelde schriftelijke verklaring gesteld dat hij een bedrag ter grootte van € 87.600,00 heeft ontvangen van [betrokkene 2] , in verband met de verkoop van het huis van zijn stiefvader in Suriname. Daarbij heeft hij het geld in ontvangst genomen voor zijn stiefvader ( [betrokkene 3] ) vanwege diens gezondheidsproblemen. Hij heeft het geld zonder diens medeweten uitgegeven. Tevens heeft de verdachte een schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] , gedateerd 18 december 2017, overgelegd die zijn verklaring ondersteunt. Het merendeel van de vragen van de politie aangaande deze verklaringen heeft de verdachte echter niet beantwoord. Ter zitting in eerste aanleg heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij niet wil zeggen hoe het geld bij hem terecht kwam, niet wil verklaren over het verschil tussen het bedrag dat hij heeft ontvangen en het bedrag waarvoor het stuk grond is verkocht en alleen wil bevestigen dat hij het geld contant in delen heeft ontvangen en heeft gestort op zijn rekening. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat [betrokkene 2] het geld contant in delen vanuit Suriname aan kennissen heeft meegegeven. De verdachte heeft geen identiteitsgegevens willen geven van de kennissen die het geld van Suriname naar Nederland zouden hebben overgebracht. De verdachte heeft ook niet willen verklaren hoe lang het heeft geduurd voordat hij het volledige bedrag had ontvangen, hoeveel betalingen er zijn geweest en met welke regelmaat, of hoe groot de bedragen waren die hij ontving. Hij heeft alleen bevestigd dat deze bedragen steeds onder de aangiftegrens voor liquide middelen bleven.
De verdachte heeft aldus grotendeels geweigerd om concrete antwoorden te geven op vragen die handvatten zouden bieden voor nader onderzoek. Dit brengt mee dat de verdachte elke verifieerbaarheid aan zijn verklaring omtrent de herkomst van dit geldbedrag heeft onthouden. Het hof merkt voorts op dat [betrokkene 3] zelf de verklaring van de verdachte voor zover op dit punt afgelegd, niet heeft ondersteund.
Daar komt nog bij dat de verdachte door de rechtbank tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld en dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat een dergelijke straf grote consequenties heeft voor zijn gezinsleden. Onder die omstandigheden is het onbegrijpelijk dat de verdachte niet meer openheid van zaken heeft willen geven omtrent transacties die naar zijn zeggen legaal zijn. Deze onwil legt het hof in het nadeel van de verdachte uit.
De verklaring van de verdachte kan op voornoemde gronden niet worden aangemerkt als een verklaring die het vermoeden van witwassen opzij zet, hetgeen overigens nog naar voren is gebracht doet daar niet aan af.
Op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om (alsnog) handschriftvergelijkend onderzoek te laten verrichten met betrekking tot de handtekening van [betrokkene 3] op de volmacht (DOC-078) hoeft niet te worden beslist, nu het hof niet tot het bewijs gebruikt dat [betrokkene 3] die volmacht niet zelf zou hebben getekend.
Financiële steun van (biologische) vader
De verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring gesteld dat zijn vader een succesvolle Afrikaanse zakenman is die hem financieel ondersteunt. Tevens heeft de verdachte een verklaring overgelegd van [getuige 1] , gedateerd 30 november 2017, waarin wordt bevestigd dat de verdachte zijn zoon is en vanuit Nigeria financiële ondersteuning van hem ontving. Op vragen van de politie aangaande deze verklaringen heeft de verdachte geen antwoord gegeven. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat het klopt dat hij geld van zijn vader kreeg en dat hij dat contant kreeg. Voor de rest wilde hij er niets over zeggen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de financiële ondersteuning bestond uit bedragen van steeds rond de € 5.000,00 die in de periode van 2015 tot eind 2023 maandelijks via Hawala-bankieren aan hem werden uitbetaald. De verdachte haalde dit geld op bij verschillende belwinkels in Zuidoost. Meer informatie over deze belwinkels heeft de verdachte niet kunnen of willen geven.
Het hof is van oordeel dat - hoewel uiteindelijk wel in enigermate concreet - ook deze geschetste gang van zaken onvoldoende verifieerbaar is. De verdachte heeft ter onderbouwing van zijn verklaring geen andere stukken aangeleverd dan de verklaringen van hemzelf of zijn vader. Het verzoek tot het horen van [getuige 1] is toegewezen, maar de raadsheer-commissaris heeft deze getuige niet kunnen horen en uiteindelijk geoordeeld dat de getuige niet binnen aanvaardbare termijn gehoord kon worden. Het had op de weg van de verdachte gelegen om zijn vader - met wie hij naar eigen zeggen een goede band heeft - er op te attenderen dat er een rechtshulpverzoek was gedaan om hem te horen, dan wel tijdens één van de bezoeken die zijn vader in de afgelopen jaren aan Nederland zou hebben gebracht, te bevorderen dat deze getuige bij die gelegenheid kon worden gehoord. Ook de aard van Hawala-bankieren, ook bekend als ondergronds bankieren, maakt dat de gestelde maandelijkse transacties niet verifieerbaar zijn, helemaal niet nu de verdachte geen informatie over de betrokken belwinkels heeft verstrekt.
Ter terechtzitting kon de verdachte geen enkele foto laten zien waarop hij met zijn vader staat afgebeeld en de website van het bedrijf van de vader bleek niet te werken. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard over de hoogte en de duur van de financiële ondersteuning en de wijze waarop die aan hem werd verstrekt. Ook strookt de door de verdachte opgegeven duur van de financiële ondersteuning, van 2015 tot eind 2023, niet met de voorafgaand aan de terechtzitting gemailde verklaring van [getuige 1] die verklaart dat hij de verdachte van 2015 tot 2017 financieel heeft ondersteund. Op grond van deze constateringen acht het hof de verklaring van de verdachte, naast niet verifieerbaar, ook hoogst onwaarschijnlijk.
Voor zover de verdachte stelt dat hij zich bepaalde zaken niet meer kan herinneren, omdat deze al langer geleden zijn gebeurd, merkt het hof op dat de onderhavige strafzaak al sinds eind 2017 loopt, toen naar mag worden aangenomen deze gebeurtenissen wel nog vers in de herinnering van de verdachte lagen. Destijds heeft de verdachte echter geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verklaring af te leggen. Dientengevolge is ook deze witwasverdenking niet ontzenuwd.
Lening schoonzus voor de aanschaf van een KIA Sportage
Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat zijn partner een geldbedrag van haar zus heeft geleend voor de aanschaf van de KIA Sportage, overweegt het hof als volgt. In het dossier zit inderdaad een leningsovereenkomst van € 12.500,00 tussen [betrokkene 1] en haar zus [betrokkene 4] . Uit onderzoek naar de bankrekening van [betrokkene 4] blijkt echter ook dat er daarna in drie delen een bedrag van € 12.100,00 in contanten wordt gestort op haar rekening. De contante stortingen worden gedaan tussen 9 september 2016 en 9 november 2016 vanuit verschillende betaalautomaten in Amsterdam. In die periode dat de contante stortingen plaatsvinden staat [betrokkene 4] ingeschreven op een adres in Dublin. Voorgaande wekt de verdenking dat de verdachte en/of zijn partner verantwoordelijk zijn voor de contante stortingen op de bankrekening op naam van [betrokkene 4] . De verdachte weigert echter een verklaring af te leggen ten aanzien van de contante stortingen op de bankrekening van [betrokkene 4] .
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de lening is afbetaald met legale inkomsten uit de voornoemde verkoop van onroerend goed in Suriname dan wel financiële steun van de vader van de verdachte. Nu het hof deze verklaringen zoals hiervoor overwogen als niet voldoende concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuift, is ook de witwasverdenking ten aanzien van deze contante betalingen niet voldoende ontzenuwd.
Lening van € 30.000,00 van [medeverdachte]
De verdachte heeft verklaard dat hij € 30.000,00 heeft geleend van [medeverdachte] , die het bedrag in één keer contant aan de verdachte heeft gegeven. In het dossier ziet het hof aanwijzingen dat de verdachte inderdaad geld van [medeverdachte] heeft geleend. Daarom geldt deze verklaring als een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Dit bedrag aan legaal geld is in verhouding echter dusdanig gering, dat het mogelijk legale karakter daarvan door vermenging met het overige vermogen en de daarmee gedane uitgaven met dubieuze herkomst teniet wordt gedaan.
Ten aanzien van de overige onder zaak A feit 1 tenlastegelegde onderdelen heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, anders dan dat deze betalingen zouden zijn gedaan met het legaal geld afkomstig van financiële ondersteuning van de vader van de verdachte en de verkoop van het onroerend goed in Suriname. Hetgeen daarover eerder is overwogen geldt ook ten aanzien van deze onderdelen.
Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van de verdachte - behalve ten aanzien van de lening van [medeverdachte] welke verklaring om een andere reden de verdachte geen soelaas kan bieden - niet worden aangemerkt als verklaringen die de vereiste maatstaf halen. Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachte en de door hem gedane contante betalingen afkomstig zijn van enig misdrijf.
Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof bewezen acht dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van de twee Rolex horloges is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] , zodat het hof medeplegen ten aanzien van deze voorwerpen eveneens bewezen acht.
Voetnoten:
[1] AMB-001 van Mont du Chat II.
[2] AMB-007 van Mont du Chat II.
[3] AMB-055 van Mont du Chat II.
[4] AMB-043 van Mont du Chat II.
[5] DOC-007 van Mont du Chat II.
[6] DOC-008 van Mont du Chat II.
[7] V004-10 van Mont du Chat I.
[8] DOC-OIO van Mont du Chat II.
[9] AMB-048 van Mont du Chat II.
[10] AMB-048 van Mont du Chat II.
[11] DOC-013 van Mont du Chat II.
[12] AMB-043 van Mont du Chat II.
[13] DOC-053 van Mont du Chat II.
[14] AMB-015 van Mont du Chat II.
[15] MB-033 van Mont du Chat II.
[16] DOC-011 van Mont du Chat III.
[17] AMB-055van Mont Du Chat II.”