ECLI:NL:HR:2023:684

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
4 mei 2023
Zaaknummer
23/00121
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 41 EVRMArt. 326 SrArt. 472 lid 1 SvArt. 471 lid 1 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens schending recht op ondervraging getuigen bij medeplegen oplichting

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2014, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en poging tot oplichting. De aanvraag is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van januari 2023, waarin werd vastgesteld dat artikel 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces, is geschonden. Dit omdat de aanvrager geen effectieve en behoorlijke mogelijkheid kreeg om drie belastende getuigen te ondervragen, terwijl hun verklaringen wel als bewijs werden gebruikt.

De advocaat-generaal adviseerde de Hoge Raad om de aanvraag gegrond te verklaren, de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest op te schorten en de zaak terug te verwijzen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de aanvraag tot herziening gegrond. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling op basis van artikel 472 lid 1 Sv Pro in verbinding met artikel 471 lid 1 Sv Pro.

Deze beslissing herstelt het recht op een eerlijk proces door te waarborgen dat de aanvrager de mogelijkheid krijgt om belastende getuigen te ondervragen. Het arrest benadrukt het belang van het respecteren van fundamentele procesrechten zoals vastgelegd in het EVRM, en corrigeert de eerdere procedurele tekortkomingen die tot de veroordeling hebben geleid.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00121 H
Datum9 mei 2023
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 oktober 2014, nummer 21-002680-14, ingediend door W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor 1., 3. en 4. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van poging tot oplichting” tot een gevangenisstraf van vijftien maanden.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag is gebaseerd op een naar aanleiding van een klacht van de aanvrager gedane uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 januari 2023, no. 34507/16, waarin is vastgesteld dat artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid. Deze uitspraak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, daarbij voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 3 oktober 2014 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de strafzaak van de aanvrager zal bevelen, en de zaak op de voet van artikel 472 lid 1 Sv Pro, in verbinding met artikel 471 lid 1 Sv Pro, zal verwijzen naar een ander gerechtshof, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

4.Beoordeling van de aanvraag

Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 4.3-4.6 vermelde gronden is de aanvraag gegrond.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 mei 2023.