ECLI:NL:HR:2023:710

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2023
Publicatiedatum
11 mei 2023
Zaaknummer
22/02808
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 78 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 28 AWR
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in belastingzaak over verzet

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland waarin het verzet van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak gegrond werd verklaard. De rechtbank heeft echter tevens het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:55, lid 10, Awb.

De Hoge Raad overweegt dat op grond van de Wet op de rechterlijke organisatie en de Algemene wet inzake rijksbelastingen alleen beroep in cassatie openstaat tegen een uitspraak van de rechtbank op verzet indien het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard. Tegen een uitspraak waarbij het verzet gegrond is verklaard, staat geen cassatieberoep open, ook niet indien tevens over de kosten is beslist.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk en gelast de griffier het beroepschrift en de processtukken door te zenden aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt doorgezonden naar het gerechtshof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02808
Datum12 mei 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2022, nr. UTR 21/3617-V [1] , op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 23 november 2021.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak van 17 juni 2022 het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van 23 november 2021 gegrond verklaard en tevens – met toepassing van artikel 8:55, lid 10, Awb – het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, en beslist over de kosten die belanghebbende in verband met het gedane verzet heeft gemaakt.
1.2
Op grond van artikel 78, lid 4, Wet op de rechterlijke organisatie in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, AWR staat tegen de uitspraak van de rechtbank op verzet in een belastingzaak alleen beroep in cassatie open indien het verzet a) niet-ontvankelijk is verklaard, of b) ongegrond is verklaard. Geen beroep in cassatie staat open tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij het verzet gegrond is verklaard, ook niet als in die uitspraak tevens is beslist over de kosten die in verband met de behandeling van het verzet zijn gemaakt. Evenmin staat beroep in cassatie open tegen een uitspraak van de rechtbank in een belastingzaak waarbij het verzet gegrond is verklaard en tevens met toepassing van artikel 8:55, lid 10, Awb uitspraak op het beroep is gedaan. Tegen een zodanige uitspraak staat uitsluitend het rechtsmiddel van hoger beroep open.
1.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 1.2 is overwogen, moet het beroep in cassatie nietontvankelijk worden verklaard. Voor zover de klachten moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank waarbij het beroep met toepassing van artikel 8:55, lid 10, Awb niet-ontvankelijk is verklaard, moet het beroepschrift worden doorgezonden naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, en
- gelast de griffier van de Hoge Raad het beroepschrift tezamen met de stukken van het geding ter behandeling door te zenden aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2023.