Verzoekster heeft in een belastingcassatieprocedure een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Hoge Raad die de zaak zouden behandelen. Zij stelde dat de oproeping voor de zitting niet tijdig en aangetekend was verzonden, en dat de zittingsdatum zonder overleg met haar was vastgesteld, wat volgens haar in strijd was met het EVRM. Tevens voerde zij aan dat zij tijdens de zitting niet het woord zou mogen voeren.
De wrakingskamer, bestaande uit drie andere raadsheren, heeft het verzoek beoordeeld. De kamer stelde vast dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. De door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden boden geen grond voor deze conclusie. Ook de klacht over het niet mogen spreken tijdens de zitting werd als te laat en onjuist beoordeeld.
Na mondelinge behandeling en het horen van verzoekster heeft de wrakingskamer het verzoek om wraking afgewezen. De beslissing werd door de Hoge Raad in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2023.