Verzoekster heeft in een hoger beroepsprocedure tegen de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie raadsheren van de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Den Haag. Zij stelde dat het hof niet bevestigde dat het zou handelen conform internationale verdragen zoals het EVRM, waardoor volgens haar het recht op een eerlijk proces werd geschonden. Tevens betoogde zij dat de weigering om de zitting openbaar te maken in strijd was met het EVRM.
De raadsheren hebben het wrakingsverzoek bestreden en verklaarden dat er geen feiten of omstandigheden zijn die wijzen op partijdigheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Ook verwezen zij naar eerdere wrakingsverzoeken in soortgelijke procedures die niet ontvankelijk werden verklaard.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de vermoedelijke onpartijdigheid van de rechters niet is doorbroken. De weigering om de vraag over het EVRM expliciet te beantwoorden en de beslissing tot een besloten zitting zijn procedurele beslissingen die geen grond vormen voor wraking. Ook de eerdere betrokkenheid van een raadsheer in een gerelateerde zaak vormt geen reden voor vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeert dat er onvoldoende grond is om het wrakingsverzoek toe te wijzen of een wrakingsverbod op te leggen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen en de beslissing wordt aan alle betrokken partijen toegezonden.