Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
30 mei 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor gewoonte maken van mensensmokkel en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte stelde meerdere bewijsklachten aan de orde, waaronder de vraag of de bewezen verklaarde periodes uit de bewijsvoering konden worden afgeleid en of sprake was van het maken van beroep of gewoonte zoals bedoeld in art. 197a Sr.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden naar 32 maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze straf en verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 30 mei 2023.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 32 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.