Conclusie
Nummer20/03336
Bewezenverklaringen, bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverwegingen
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof bewezen heeft verklaard dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in de in de bewezenverklaring vermelde periodes zijn gepleegd, terwijl deze periodes niet, althans niet zonder meer uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, terwijl deze periodes evenmin uit de inhoud van enige aanvullende bewijsmotivering kunnen blijken. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht ziet op het onder 1 bewezenverklaarde feit. De steller van het middel voert aan dat de bewijsmiddelen niets inhouden over de bewezenverklaarde periode 1 mei tot en met 22 juni 2015. Hij wijst erop dat het hof in de bewijsmotivering heeft opgemerkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij de onder 1 genoemde personen in juni 2015 met de auto uit Frankrijk heeft opgehaald, maar dat niet duidelijk wordt aan de inhoud van welk bewijsmiddel het hof dit heeft ontleend.
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof onder 1, 2 en 3 bewezen heeft verklaard dat de verdachte van het plegen van die feiten een beroep of gewoonte heeft gemaakt, terwijl het bestaan van dat beroep of die gewoonte niet uit de inhoud van enig bewijsmiddel en evenmin uit enige bewijsoverweging zou kunnen worden afgeleid. Aangevoerd wordt dat de verdachte in totaal 8 personen behulpzaam zou zijn geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en dat 5 van deze 8 personen tot hetzelfde huishouden behoorden, waarvan één alles in één keer met de verdachte regelde en alle documenten voor deze personen in één keer ontving. Deze personen ondernamen de reis van begin tot eind samen en zij worden ook tezamen in hetzelfde ten laste gelegde feit genoemd. Dit reisgenootschap dient volgens de steller van het middel als één feit te worden aangemerkt. De steller van het middel vestigt er voorts de aandacht op dat de periode waarbinnen de feiten 1, 2 en 3 zijn begaan aanvangt op 1 september 2014 en eindigt op 22 juni 2015. De totale periode waarbinnen de feiten zijn begaan bedraagt daarmee bijna tien maanden. Iets dat in een periode van bijna tien maanden drie keer is gebeurd zou – zonder nadere motivering – niet kunnen worden aangemerkt als een gewoonte.
Bespreking van het derde middel
derdemiddel bevat de klacht dat het hof onder 6 bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit onder meer de verdachte en welke organisatie het plegen van mensensmokkel tot oogmerk had, terwijl niet uit de inhoud van enig bewijsmiddel en evenmin uit enige bewijsoverweging kan worden afgeleid dat de verdachte heeft behoord tot deze of enige andere organisatie. Het middel bevat voorts de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat het oogmerk van de organisatie in algemene zin was gericht op het plegen van misdrijven, althans dat hij opzettelijk een bijdrage leverde aan de misdrijven waarvan de organisatie het plegen tot oogmerk had.
Slotsom