ECLI:NL:PHR:2024:1100

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
20 oktober 2024
Zaaknummer
23/02853
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 273f SrArt. 197a Sr (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak mensenhandel, witwassen en mensensmokkel

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het hof Amsterdam is veroordeeld voor mensenhandel, witwassen en mensensmokkel. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf op, en verklaarde benadeelden niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

De eerste klacht betrof de bewijsmotivering omtrent het witwassen van geldbedragen, waarbij het hof oordeelde dat verdachte een gewoonte had gemaakt van witwassen door het overmaken van geld afkomstig uit uitbuiting van werknemers. De verklaring van een getuige kon niet als bewijsmiddel worden gebruikt, waardoor verdachte werd vrijgesproken van het onderdeel 'omzetten' en 'voorhanden hebben'.

De tweede klacht richtte zich op de bewezenverklaring van mensenhandel met uitbuiting van werknemers, waarbij het hof oordeelde dat verdachte onder meer werknemers zonder verblijfsvergunning liet werken onder slechte omstandigheden, en daarvoor voordeel trok. De kwalificatie als gepleegd door meerdere personen werd als kennelijke misslag verbeterd tot meermalen gepleegd, zonder gevolgen voor de straf.

De derde klacht betrof het maken van een gewoonte van mensensmokkel, waarbij het hof oordeelde dat uit de bewijsvoering voldoende blijkt dat verdachte gedurende ruim zeven maanden illegalen werk en onderdak bood, en dat dit een gewoonte vormde. Alle klachten faalden, en de conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23 / 02853

Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 juli 2023 de verdachte wegens (parketnummer 13-845246-16, de zaak Portland)
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,alsook (parketnummer 13-845059-11, de zaak Erin) (1)
“mensenhandel, meermalen gepleegd”en (2)
“gewoontewitwassen”,alsmede (parketnummer 13-845011-13, de zaak Lavely)
“mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6°, van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”en
“uit gewoonte een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is”veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel (de zaak Erin)

De klachten
3. Het eerste middel klaagt dat een aantal feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor het in de zaak Erin (parketnummer 13-845059-11) onder 2 bewezen verklaarde niet uit de bewijsmiddelen volgen. Om die reden is de bewezenverklaring van dit feit volgens de stellers van het middel onvoldoende met redenen omkleed.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering
4. Ten laste van de verdachte is in de zaak Erin onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 december 2011 te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij meermalen telkens een voorwerp, te weten geldbedragen tot een totaal van ongeveer 32.636 euro, overgedragen terwijl hij telkens wist dat deze geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, door giraal van misdrijf afkomstige geldbedragen over te maken naar de bankrekening van [getuige 1].”
5. In de bewijsmiddelenbijlage bij het arrest is, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende opgenomen:

“Ten aanzien van feit 2 in de zaak Erin:

29. Een proces-verbaal witwassen met nummer 6640 / 2011 / 503 van 9 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (los opgenomen in het dossier).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in alsrelaasvan voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Onderzoek is gedaan in de maandloonaangiften van [getuige 1] bij de Belastingdienst en de boekingen naar diens bankrekeningnummer [rekeningnummer 1].
Maandloonaangifte
Bruto bedrag/salaris A. Arrahamani
Verloonde uren
01-07-2010 / 31-07-2010
€ 1569,14
176
01-08-2010 / 31-08-2010
€ 1569,14
176
01-09-2010 / 30-09-2010
€ 1566,52
176
01-10-2010 / 31-10-2010
€ 1566,22
168
01-11-2010 / 30-11-2010
€ 1566,52
176
01-12-2010 / 31-12-2010
€ 5682,22
184
01-01-2011 / 31-01-2011
€ 4014,11
174
01-02-2011 / 28-02-2011
€ 1599,49
174
01-03-2011 / 31-03-2011
€ 1599,49
174
01-04-2011 / 30-04-2011
€ 3604,29
174
01-05-2011 / 31-05-2011
€ 5053,00
174
01-06-2011 / 30-06-2011
€ 3498,46
174
01-07-2011 / 31-07-2011
€ 3498,47
174
01-08-2011 / 31-08-2011
€ 7335,33
174
01-09-2011 / 30-09-2011
€ 3498,46
174
01-10-2011 / 31-10-2011
€ 3498,46
174
01-11-2011 / 30-11-2011
€ 3498,47
174
01-12-2011 / 31-12-2011
€ 6218,26
174
[getuige 1] verdient netto plus minus € 1.227 hetgeen maandelijks door [verdachte] op zijn bankrekening [rekeningnummer 1] werd overgemaakt.
Op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [wasserij 1] is waargenomen dat er opvallend hoge salarisbetalingen hebben plaatsgevonden naar de bankrekening van [getuige 1].
Maand
Omschrijving
Bankrekening
Netto salaris
03-01-2011
salaris
[rekeningnummer 1]
€ 2.500,-
01-02-2011
salaris
[rekeningnummer 1]
€ 2.543,15
06-05-2011
salaris april
[rekeningnummer 1]
€ 2.267,64
02-06-2011
salaris
[rekeningnummer 1]
€ 3.024,64
23-06-2011
salaris juni
[rekeningnummer 1]
€ 2.250,-
05-07-2011
salaris
[rekeningnummer 1]
€ 18.500,-
01-08-2011
salaris juli
[rekeningnummer 1]
€ 2.250,-
22-08-2011
salaris augustus
[rekeningnummer 1]
€ 4.200,-
07-09-2011
voorschot salaris september
[rekeningnummer 1]
€ 4.000,-
03-11-2011
salaris oktober
[rekeningnummer 1]
€ 2.250,-
12-12-2011
salaris
[rekeningnummer 1]
€ 2.250,-
Uitgaande van de 11 maanden beschreven in het voorgaande overzicht bedroeg het bedrag € 32.636,-.
Dit bedrag is tot stand gekomen door de gestorte netto bedragen op te tellen en dit bedrag te verminderen met het totaalbedrag aan salaris, € 46.034,- minus € 13.398,- = € 32.636,-”
6. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

“6.4 Erin

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 in de zaak Erin (witwassen geldbedrag)

Ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen overweegt het hof als volgt.
De feiten
In deze zaak bevat het tenlastegelegde feit van witwassen twee handelingen: het overmaken van geldbedragen op de rekening van [getuige 1] en het contant in ontvangst nemen van delen van deze bedragen.
Vaststaat dat de verdachte diverse bedragen heeft overgemaakt aan [getuige 1], vanaf de zakelijke rekening van de verdachte, die werd gevoed door opdrachtgevers van zijn wasserij. De verdachte heeft in de betreffende periode een flink deel van zijn omzet gegenereerd door de uitbuiting van zijn werknemers. De omzet is daarmee voor een belangrijk deel uit misdrijf afkomstig. [getuige 1] heeft diverse verklaringen bij de politie afgelegd en daarbij verklaard dat hij van de verdachte de opdracht kreeg om een deel van het overgemaakte geld op te nemen en aan de verdachte af te geven. In hoger beroep heeft de verdachte het hof verzocht om [getuige 1] op te roepen als getuige en het hof heeft dit verzoek toegewezen. Het is echter niet gelukt om [getuige 1] te horen, nu deze getuige inmiddels in België woont, heeft aangegeven niet gehoord te willen worden en onder de Belgische wetgeving geen mogelijkheden bestaan om een getuige te verplichten om te verschijnen en/of een verklaring af te leggen.
Ten aanzien van het opnemen van de geldbedragen en het doorgeven van het contante geld is het hof van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] als doorslaggevend bewijsmiddel dient te worden beschouwd. In het dossier bevinden zich geen andere bewijsmiddelen die betrekking hebben op dit onderdeel. Zo heeft het hof geen bankafschriften van [getuige 1] aangetroffen waaruit de opnames blijken. Nu de verdachte niet in de gelegenheid is geweest om [getuige 1] vragen te stellen en geen sprake is van compenserende factoren kan de verklaring van [getuige 1] niet worden gebruikt als bewijsmiddel.
De juridische duiding
Voor opbrengsten uit een eigen misdrijf geldt als uitgangspunt dat van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Indien het enkele verwerven of voorhanden hebben daarvan niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard en hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin sprake is van het "overdragen" en het "omzetten" van zulke voorwerpen.
Het hof is van oordeel dat op basis van de hiervoor besproken uitbuiting bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen door deze aan [getuige 1] over te dragen. Anders dan de verdediging lijkt te bepleiten, is voor de bewezenverklaring van dat onderdeel immers in beginsel geen verhullende handeling noodzakelijk. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de overmakingen geen onderdeel uitmaakten van de reguliere geldstromen binnen de bedrijfsvoering van de wasserij, zodat ook om die reden niet kan worden gesteld dat de verdachte door het begaan van zijn misdrijf zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die bedragen.
Nu wegens de onbruikbaarheid van de verklaring van [getuige 1] en bij gebrek aan ander bewijs niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bedragen heeft terug ontvangen, zal het hof de verdachte vrijspreken ten aanzien van het onderdeel ‘omzetten’. Het hof zal de verdachte tevens vrijspreken van het onderdeel ‘voorhanden hebben’. De verdachte heeft het geld immers voorhanden gehad op zijn zakelijke rekening. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte tijdens dat voorhanden hebben een verhullende handeling heeft verricht.”
Een nadere omschrijving van de klacht
7. De klacht dat enkele onderdelen van de bewijsmotivering geen steun vinden in bewijsmiddelen heeft betrekking op de navolgende onderdelen:
(i). Bankrekening [rekeningnummer 2] (op naam van [wasserij 1]) is de zakelijke rekening van de verdachte.
(ii). Bankrekening [rekeningnummer 2] werd gevoed door opdrachtgevers van de wasserij van de verdachte.
(iii). In de betreffende periode heeft de verdachte een flink deel van zijn omzet gegenereerd door de uitbuiting van zijn werknemers, waardoor de omzet daarmee voor een belangrijk deel uit misdrijf afkomstig is.
De bespreking van de klachten
8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. [1]
9. De klacht is gebaseerd op de veronderstelling dat de onder randnummer 7 genoemde feiten en omstandigheden niet in de gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen, dan wel niet daaruit kunnen worden afgeleid. Die veronderstelling is naar mijn oordeel onjuist. In het voor de bewijsvoering gebruikte ‘proces-verbaal witwassen’ (bewijsmiddel 29) is opgenomen dat er opvallend hoge salarisbetalingen hebben plaatsgevonden van bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] (op naam van [wasserij 1]) naar de bankrekening van [getuige 1] en dat het loon maandelijks door de verdachte werd overgemaakt. [2] Dat het hof daaruit heeft afgeleid dat de verdachte vanaf zijn zakelijke rekening, die door opdrachtgevers van zijn wasserij werd gevoed, diverse bedragen heeft overgemaakt aan [getuige 1], acht ik dan ook geenszins onbegrijpelijk.
10. Dan resteert de bewijsoverweging ten aanzien van de omzet van de verdachte. In de zaak Erin heeft het hof onder 1 primair – kort gezegd – bewezen verklaard dat verschillende medewerkers van [wasserij 1] door de verdachte zijn uitgebuit. Die uitbuiting bestond blijkens de bewezenverklaring onder meer uit het inhouden van een deel van het loon en het niet uitbetalen van overuren. Bovendien blijkt uit het voor de bewijsvoering gebruikte ‘proces-verbaal witwassen’ (bewijsmiddel 29) dat de verdachte naast het totaalbedrag aan salaris in totaal € 32.636,- naar de rekening van [getuige 1] heeft overgemaakt. [3] Het hof heeft hieraan kennelijk de gevolgtrekking ontleend dat de verdachte een flink deel van zijn omzet heeft gegenereerd door de uitbuiting van zijn werknemers en (dus) dat die omzet voor een belangrijk deel uit misdrijf afkomstig is. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.
11. Het middel faalt.

Het tweede middel (de zaak Lavely)

De klachten
12. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt met drie deelklachten op tegen de bewezenverklaringen en/of kwalificatiebeslissingen van het in de zaak Lavely (parketnummer 13-845011-13) primair en subsidiair ten laste gelegde.
De bewezenverklaringen en de bewijsmotivering
13. Ten laste van de verdachte is in de zaak Lavely bewezen verklaard dat:
“primair
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 13 januari 2012 tot en met 24 augustus 2012 te [plaats] en te Amsterdam,
A.
(lid 1 onder 1)
een persoon genaamd [slachtoffer 1]
door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie bovenvermelde persoon heeft geworven, vervoerd en gehuisvest,
met het oogmerk van uitbuiting van die ander
waarbij het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie van de ander hieruit heeft bestaan dat: bovenvermelde persoon geen geldige verblijfsstatus had in Nederland,
(m.b.t.) het werven en vervoeren en huisvesten dat verdachte:
-
bovenvermelde persoon heeft gehuisvest in de [wasserij 2] aan de [a-straat 1] te [plaats] en
-
bovenvermelde persoon in de [wasserij 2] aan de [a-straat 1] te [plaats] de beschikking heeft gegeven over een slaapplaats bestaande uit lakens en/of dekens op de grond en
-
bovengenoemde persoon werkzaamheden heeft laten verrichten in de [wasserij 2] aan de [a-straat 1] te [plaats] en
-
bovenvermelde persoon van en naar een werkplek heeft vervoerd en doen vervoeren,
en
B.
(lid 1 onder 4)
een persoon genaamd [slachtoffer 1]
door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid,
waarbij het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie van de ander hieruit heeft bestaan dat:
-
bovenvermelde persoon geen geldige verblijfsstatus had in Nederland en
-
verdachte aan bovenvermelde persoon heeft beloofd zijn ingehouden loon uit te betalen wanneer hij bij hem zou blijven werken, terwijl hij zijn belofte niet is nagekomen en
-
bovenvermelde persoon gemiddeld meer dan twaalf uur per dag en zes dagen per week heeft laten werken en ,
-
aan bovenvermelde persoon heeft opgedragen door te werken totdat het werk af was en
-
bovenvermelde persoon geen, althans zeer weinig, vrije dagen heeft gegeven,
en
C.
(lid 1 onder 6°)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1]
waarbij de uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte en/of zijn mededader(s):
-
van bovenvermelde persoon een deel van het loon heeft ingehouden, waardoor deze persoon financieel en economisch en maatschappelijk in een afhankelijke positie van verdachte gebracht was en
-
aan bovenvermelde persoon geen overuren heeft uitbetaald en
-
bovenvermelde persoon gemiddeld meer dan twaalf uur per etmaal en zes dagen per week heeft laten werken en
-
bovenvermelde persoon heeft opgedragen door te werken totdat het werk af was en
-
bovenvermelde persoon weinig pauzes heeft gegeven en/of
-
verdachte aan bovenvermelde persoon heeft beloofd zijn ingehouden loon uit te betalen wanneer hij bij hem zou blijven werken, terwijl hij zijn belofte niet is nagekomen.
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2012 tot en met 24 augustus 2012, te [plaats], althans in Nederland, uit winstbejag een persoon [slachtoffer 2] bij het verschaffen van verblijf in Nederland behulpzaam is geweest en middelen heeft verschaft door het geven van een werkplek en onderdak in de wasserette [wasserij 2] aan de [a-straat 1] te [plaats], terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, zulks terwijl hij in genoemde periode daarvan een gewoonte heeft gemaakt.”
14. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

“6.5 Lavely

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1 primair in de zaak Lavely (artikel 273f, eerste lid sub 1°, sub 4° en sub 6°, Sr)

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van feit 1 primair in de zaak Lavely, daartoe overwegend dat de gestelde omstandigheden met onvoldoende zekerheid konden worden vastgesteld, nu de wasserij was afgebrand voordat nader onderzoek kon plaatsvinden.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben het hof verzocht de rechtbank hierin te volgen.
De feiten
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij bij [wasserij 2] heeft gewerkt van januari 2012 tot het binnentreden op 23 augustus 2012. In maart en april 2012 kwamen ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die evenmin een tewerkstellingsvergunning hadden, daar werken. In maart 2012 werden de werktijden voor [slachtoffer 1] verlengd. Hij werkte toen van 7:30 uur tot 21:00 of 22:00 uur. Vanaf mei 2012 werkte hij van 5:30 uur tot 22/23:00 uur. Terwijl de legale werknemers stopten op de normale werktijden, moesten de illegalen doorwerken. Zij sliepen in de wasserij. Met dekbedden werden slaapplekken gecreëerd op de grond en op een verhoging. Matrassen waren niet voorhanden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij 8 maanden heeft gewerkt en voor 4 maanden salaris heeft ontvangen. Hij verdiende 40 euro per werkdag van 16 à 17 uur. In de zomer werden de werkdagen nog langer; er kwam wasgoed bij uit Amsterdam.
De verklaringen van [slachtoffer 1] worden deels ondersteund door de verklaringen van andere getuigen. Zo hebben [getuige 2] en [getuige 3] verklaard dat de werknemers zonder tewerkstellingsvergunning in de wasserij sliepen, dat hiervoor geen slaapplekken waren ingericht en dat de hygiënische omstandigheden zeer slecht waren.
Daarnaast is het hof van oordeel dat het langdurige en hardnekkige patroon betreffende de handelwijze van de verdachte met betrekking tot werknemers in de wasserij uit de periode 2010-2012 ondersteuning biedt aan de verklaringen van [slachtoffer 1]. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat daarmee bewezen kan worden dat [slachtoffer 1] zeer lange werkdagen heeft gewerkt, dat hij een zeer laag uurloon ontving en dat hij, gelet op de werktijden, geen reële andere keuze had dan te overnachten in de wasserij, terwijl daarvoor geen voorzieningen aanwezig waren.
Juridische duiding
Het hof concludeert dat de verdachte [slachtoffer 1] voor zijn nieuwe functie bij [wasserij 2] heeft aangenomen en in zijn bedrijf heeft gehuisvest, terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Hij heeft hem vervolgens laten werken onder omstandigheden (de hoogte van het loon, de onregelmatige uitbetaling daarvan, de werktijden en het aantal werkuren) die ver liggen onder de standaard die in Nederland normaal is en die binnen zijn bedrijf niet golden voor werknemers die er legaal werkten. Als gevolg van de inzet van [slachtoffer 1] was de verdachte in staat om tegen zeer lage kosten de omzet van en de winst uit zijn wasserij te vergroten. Dat de verdachte hier voordeel uit heeft getrokken acht het hof evident.
Het hof neemt in zijn beoordeling mee dat de wijze van tewerkstelling van [slachtoffer 1] bij [wasserij 2] een voortzetting was van diens uitbuiting door de verdachte bij [wasserij 1]. Gelet op de aard en de duur van de omstandigheden, de beperkingen die daaruit volgden voor [slachtoffer 1] en het economisch voordeel dat de verdachte daaruit heeft gehad, is het hof van oordeel dat de genoemde omstandigheden uitbuiting opleveren.
Vanwege zijn verblijfsrechtelijke positie had [slachtoffer 1] weinig keuze in mogelijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien en kon hij weinig eisen stellen. Zijn afhankelijkheid werd nog vergroot door de onregelmatige uitbetalingen van het salaris en de excessief lange werkdagen, welke combinatie van factoren in de hand werkte dat het zoeken van zelfstandige woonruimte niet reëel was. Hij verkeerde daarmee in een situatie die absoluut niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De verdachte kon daarmee zelf de voorwaarden bepalen en heeft de uitbuiting bewerkstelligd door misbruik van de kwetsbare positie van zijn werknemer [slachtoffer 1] en misbruik van zijn overwicht voortvloeiend uit de feitelijke omstandigheden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich ten aanzien van [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan de strafbaar gestelde handelingen uit in artikel 273f eerste lid onder 1°, 4° en 6° Sr.
Ten aanzien van [slachtoffer 2] en [betrokkene 3] is het hof van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende kan worden vastgesteld hoe lang zij bij [wasserij 2] hebben gewerkt en in hoeverre zij zich in een afhankelijke positie bevonden, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van uitbuiting en misbruik van hun kwetsbare positie of misbruik van overwicht. Wel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 2] werk en een slaapplaats heeft verschaft, terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat [slachtoffer 2] geen verblijfsrecht had in Nederland.”

De eerste deelklacht van het tweede middel

Een nadere omschrijving van de eerste deelklacht
15. Het middel bevat ten eerste een bewijsklacht over het in de zaak Lavely primair bewezen verklaarde. In de toelichting wordt aangevoerd dat de overweging van het hof, inhoudende dat [slachtoffer 1] geen reële andere keuze had dan te overnachten in de wasserij, in strijd is met hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt.
16. De stellers van het middel wijzen in het bijzonder op twee verklaringen van [slachtoffer 1] die in de bewijsmiddelenbijlage zijn opgenomen. Daaruit leiden zij af dat hij “
eerder steeds werd opgehaald zodat [slachtoffer 1] kennelijk ergens anders dan in de wasserij heeft verbleven, terwijl uit de bewijsmiddelen ook nog eens blijkt dat [slachtoffer 1] ook bij zijn vriendin in [plaats] kon logeren”.
De verklaringen van [slachtoffer 1]
17. De verklaringen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
“31. Een proces-verbaal van (vervolg) aangifte door [slachtoffer 1] van 27 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 108-114).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in alsverklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:
V: Hoe heet de wasserij in [plaats]?
A: [wasserij 2]. volgens mij is het [wasserij 2]. In de [a-straat]. De eerste week van januari 2012 zijn we naar [plaats] gegaan. Ik had met [verdachte] afgesproken dat ik vijf dagen per week zou gaan werken en de weekenden vrij zou hebben.
V: Wie waren de eigenaren van [wasserij 2]?
A: Ik weet dat er twee officiële eigenaren zijn. [verdachte] is één van de eigenaren.
V: Tot wanneer heb jij bij [wasserij 2] gewerkt?
A: Tot 23 augustus 2012: het moment van de komst van de vreemdelingenpolitie.
V: Heb jij de gehele periode bij [wasserij 2] gewerkt?
A: In die periode van acht maanden heb ik een keer of zes ook bij [wasserij 1] in Amsterdam gewerkt.
V: Wat waren je werktijden vanaf februari 2012 tot en met augustus 2012?
A: Tot en met de tweede week van februari 2012 werkte ik samen met de vaste medewerkers en op normale tijden. Toen werd een aantal vaste medewerkers ontslagen en daar kwamen toen illegalen voor in de plaats.
V: Werden de werktijden ook aangepast toen deze nieuwe medewerkers kwamen?
A: We werkten toen vanaf 7:30 uur tot 21.00 uur of 22:00 uur. Dat was in de maand maart. De legale vaste medewerkers stopten op de normale tijden. Wij bleven dan doorwerken en daarna sliepen wij in de wasserij. Twee mensen sliepen op de grond en twee mensen sliepen op een verhoging. We sliepen op dekbedden.
V: Wat waren de werktijden in april 2012?
A: De legalen werkten op de normale tijden. Ik begon om 5:30 uur en werkte door tot 22:00 uur of 23:00 uur. 's Ochtends startte ik het bedrijf op en controleerde ik de apparatuur.
(…)
V: Zorgde [verdachte] voor huisvesting?
A: Eerst werd ik heen en weer gereden door [verdachte], daarna sliep ik in de wasserij. Elke twee weken ging ik één dag naar [plaats] en bezocht ik mijn vriendin. Als ik een vrije dag had op woensdag dan werkte ik op de dinsdagavond tot 's nachts één uur door. Dit moest van [verdachte]. [betrokkene 4] bracht mij dan om één uur 's nachts naar [plaats] en 's avonds om 22:00 uur bracht [betrokkene 4] mij weer terug naar [plaats]. Alles werd gedaan in opdracht van [verdachte]. De laatste drie maanden heb ik geen één vrije dag gehad.
Ik kreeg een laag loon omdat ik geen verblijfsvergunning had. Ik kreeg bij de wasserij in [plaats] 40 euro per dag. Op een dag werkte ik 16 à 17 uur. Gemiddeld dus 2,50 per uur.
Ik was verplicht het werk af te maken. Soms moest je gewoon de nacht doorwerken. In [plaats] is het één of twee keer voorgekomen dat we de hele nacht moesten doorwerken. We gingen toen doorwerken met de Roemenen en illegalen waar ik over gesproken heb. Als we het werk niet afkregen dan werd er gescholden en gedreigd met ontslag door [verdachte].
32. Een proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] van 11 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 115-119).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in alsverklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:
V: Wie heeft jou aangenomen bij [wasserij 2]?
A: [verdachte].
V: Waar bestonden je werkzaamheden bij [wasserij 2] overdag uit?
A: Ik deed alles. Ik was ook chef in de wasserij. Dit was in de dag maar ook in de avond en soms tot 01:00 uur in de nacht en soms tot 22:00 uur in de avond.
V: Met wie maakte jij afspraken over jouw salaris?
A: [verdachte].
V: Wie betaalde het salaris uit?
A: [verdachte].
V: Wie bepaalde dat jij sliep in de wasserij?
A: De eerste maand werd ik opgehaald en afgezet en na een maand zei [verdachte] dat ik kon slapen in de wasserij.”
De bespreking van de eerste deelklacht
18. Het hof heeft uit de hiervoor geciteerde verklaringen opgemaakt dat [slachtoffer 1] geen reële andere keuze had dan te overnachten in de wasserij. Dit feitelijke oordeel is niet in strijd met de bewijsmiddelen en evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] excessief lange werkdagen moest werken tegen een zeer laag en onregelmatig uitbetaald uurloon en wegens zijn verblijfsrechtelijke status in een afhankelijke positie verkeerde ten opzichte van de verdachte. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] eerst een periode heen en weer werd gereden en één dag per twee weken zijn vriendin in [plaats] bezocht, doet aan het voorgaande niet aan af.
19. De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

Een nadere omschrijving van de tweede deelklacht
20. Ten tweede klaagt het middel dat het hof het in de zaak Lavely primair bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als – kort gezegd – mensenhandel, ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’, meermalen gepleegd.
De kwalificatie van het primair bewezen verklaarde
21. Het hof heeft het in de zaak Lavely primair bewezen verklaarde gekwalificeerd als:
“mensenhandel, terwijl de in art. 273f, eerste lid onder 1°
, 4°
en 6°
, van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.”
De bespreking van de tweede deelklacht
22. De bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor onder randnummer 13 weergegeven, houdt niet in dat de verdachte het feit in vereniging met een ander heeft gepleegd. Daarbij merk ik op dat het hof in het midden heeft gelaten of de onder C. bewezen verklaarde handelingen door “
verdachte en/of zijn mededader(s)” zijn begaan. Uit de bewijsoverwegingen die het hof heeft gewijd aan het feit is evenmin op te maken of dit al dan niet “
in vereniging” is begaan. De kwalificatie wordt dus niet gedekt door de bewezenverklaring. In zoverre treft de klacht doel.
23. Gelet op de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de strafmotivering kan echter worden aangenomen dat de kwalificatie van het primair bewezen verklaarde feit het gevolg is van een kennelijke misslag. Het hof heeft beoogd het feit te kwalificeren als: mensenhandel, meermalen gepleegd. Aangezien de opgelegde straf ruimschoots is gebleven binnen het strafmaximum dat voortvloeit uit de door het hof beoogde kwalificatie, moet worden aangenomen dat het hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot het opleggen van een lagere of andere straf en kan de Hoge Raad volstaan met een verbeterde lezing van de kwalificatie. Daardoor komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen. [4]
24. De tweede deelklacht faalt.

De derde deelklacht

Een nadere omschrijving van de klacht
25. De derde deelklacht betreft een bewijsklacht over het in de zaak Lavely subsidiair bewezen verklaarde. Aangevoerd wordt dat de verdachte – volgens de bewezenverklaring – in een periode van ongeveer zes maanden één persoon behulpzaam zou zijn geweest bij het – kort gezegd – verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl het hof niet heeft gemotiveerd waarom dat “
het maken van een gewoonte” van het in artikel 197a (oud) Sr bedoelde misdrijf oplevert.
Het juridisch kader: gewoontemisdrijven
26. Vooropgesteld zij het volgende. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als ‘het maken van een gewoonte’, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Een minimumfrequentie is niet vereist. [5] Het ‘maken van een gewoonte’ van het misdrijf moet worden ten laste gelegd en bewezen verklaard, wil daaraan het wettelijke strafverzwarende gevolg zijn verbonden. In de tenlastelegging komt aan de term ‘gewoonte’ voldoende feitelijke betekenis toe. Als wordt bewezen verklaard dat de verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. [6] , [7]
De bespreking van de derde deelklacht
27. Het hof heeft in deze zaak bewezen verklaard dat de verdachte aan [slachtoffer 2] werk en een slaapplaats heeft verschaft, terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat [slachtoffer 2] geen verblijfsrecht had in Nederland. Uit de bewijsvoering die aan deze bewezenverklaring ten grondslag is gelegd, blijkt dat dit zich gedurende een periode van ruim zeven maanden heeft afgespeeld.
28. Bovendien blijkt uit de bewijsvoering, en met name uit de bewijsmiddelen onder 31 en 32 (verklaringen van de getuige [slachtoffer 1]), bewijsmiddel 33 (de verklaring van [slachtoffer 2]), en de bewijsmiddelen 34 tot en met 37 (getuigenverklaringen van legale werknemers en een proces-verbaal van bevindingen), dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode – behalve aan [slachtoffer 2] – ook aan [slachtoffer 1] en aan andere illegalen op gelijke (schrijnende) wijze in de wasserette werkplek en onderdak heeft gegeven. De bewezen verklaarde gewoonte kan daardoor uit de bewijsvoering worden afgeleid.
29. Het oordeel van het hof dat de verdachte “
een gewoonte heeft gemaakt” van het in artikel 197a (oud) Sr bedoelde misdrijf, acht ik dan ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet m.i. niet af dat deze gewoonte in de bewezenverklaring niet concreet is omschreven met verwijzingen naar (de namen van) andere illegale tewerkgestelden.
30. De derde deelklacht faalt, en daarmee faalt ook het tweede middel in z’n geheel.

Slotsom

31. Beide middelen falen. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende overweging.
32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985; HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4752, en meest recent: HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:111.
2.Zie bewijsmiddel 29 in de bewijsmiddelenbijlage bij het bestreden arrest, hiervoor weergegeven onder randnummer 5.
3.Zie bewijsmiddel 29 in de bewijsmiddelenbijlage bij het bestreden arrest, hiervoor weergegeven onder randnummer 5.
4.Vgl. onder meer HR 5 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8772; HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6439; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2488; HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1310 (zie CAG Harteveld onder 5.10-5.11); HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1029; HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1562; HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1646.
5.Zie HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701,
6.Zie naast HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701,
7.Voor de vraag of de gewoonte rechtstreeks moet zijn omschreven in de bewezenverklaring, dan wel dat voldoende is dat die gewoonte uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zie andermaal HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770,