Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 juni 2023.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juni 2022, waarin het hof een geschil over de uitoefening van een erfdienstbaarheid in het burenrecht heeft behandeld. De Hoge Raad verwijst daarbij naar de eerdere vonnissen en arresten in de lagere instanties.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, waaronder een bedrag van € 355 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen voldaan.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff (voorzitter), ter Heide en Makkink, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock op 16 juni 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.