Conclusie
[eiser]respectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- i) [verweerder] en [eiser] zijn buren van elkaar. [verweerder] is vanaf 30 augustus 1994 eigenaar van de woning met aanhorigheden gelegen aan [a-straat 1a] te [plaats] . De zus van [verweerder] was vanaf 22 oktober 2010 eigenaar van de woning met aanhorigheden gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] . Beide woningen met aanhorigheden maken deel uit van het perceel kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] nummer [001] . [eiser] was in het verleden de geregistreerd partner van de zus van [verweerder] en hij is na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap eigenaar geworden van de woning met aanhorigheden gelegen aan de [a-straat 1] .
- ii) [verweerder] is aan een rolstoel gebonden.
- iii) Bij notariële akte van 22 oktober 2010
- iv) In diezelfde notariële akte is overeengekomen dat [verweerder] , zijn echtgenote en zijn overige gezinsleden een deel van de garage tevens mogen gebruiken als opslagruimte, waarbij zij zich ertoe hebben verplicht dit recht op de minst bezwarende wijze uit te oefenen.
- v) In het kader van een eerdere kort geding procedure zijn partijen op 26 mei 2021 het volgende overeengekomen (hierna:
Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat geen evident spoedeisend belang bestond bij een beslissing over de wijze van parkeren van de auto in de garage en de opslag van de goederen, nu [verweerder] op dat moment in een revalidatiecentrum verbleef (rov. 4.2). Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat duidelijk is dat tussen partijen in geschil is of de huidige (door [eiser] gewijzigde) indeling van de garage [verweerder] voldoende ruimte zal laten om zijn goederen op te slaan, zijn auto te parkeren en met de rolstoel te manoeuvreren. Het enkele feit dat [eiser] op onderdelen een indelingswijziging wenst door te voeren is naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende om reeds daarom diens vordering toe te wijzen. [verweerder] heeft weliswaar de rechten die voortvloeien uit de in de notariële akte opgenomen erfdienstbaarheid, maar wel met uitoefening daarvan op de minst bezwarende wijze. Het kort geding leent zich niet voor een feitelijk onderzoek naar de minst bezwarende opties, aldus de voorzieningenrechter (rov. 4.3).
Tussen partijen zijn in het eerste kort geding duidelijke afspraken gemaakt over de wijze waarop [verweerder] de garage mag gebruiken. Dit is de wijze zoals [verweerder] de auto altijd parkeerde, zoals blijkt uit de tekening waarnaar de gemaakte afspraak verwijst. Tot slot heeft [verweerder] gesteld dat [eiser] de ruimte waarop [verweerder] kan parkeren na 13 januari 2022 nog verder heeft verkleind (...).
Gebruikelijke wijze van parkeren
“op de gebruikelijke wijze als zichtbaar op de tekening (productie 9 bij dagvaarding)”. Op die tekening staat de auto van [verweerder] schuin geparkeerd afgebeeld op (naar niet in geschil is) de manier waarop [verweerder] zijn auto vanaf de jaren negentig steeds heeft geparkeerd. Voorshands moet er daarom van worden uitgegaan dat het gevorderde bevel dat de garage aan [verweerder] voor deze voor hem gebruikelijke wijze van parkeren ter beschikking moet worden gesteld, reeds op deze grondslag toewijsbaar is. Dat, naar [eiser] nog heeft aangevoerd, de huidige auto van [verweerder] groter is dan diens vorige auto doet daaraan niet af. [verweerder] heeft onbestreden gesteld dat hij zijn huidige auto al sinds 2010 bezit, derhalve ruim voordat partijen op 26 mei 2021 zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn auto schuin in de garage mocht blijven parkeren.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1kunnen drie (ongenummerde) klachten worden onderscheiden.
eerste klacht(
p.i., nr. 1.10 jo. 1.5-1.9) is het hof in rov. 6.4 tot en met 6.6 bij het bepalen van de rechtspositie van partijen – en daarmee de uitleg van de erfdienstbaarheid – ten onrechte uitgegaan van de in het proces-verbaal van 26 mei 2021 vastgelegde afspraak tussen partijen (beschikbaarheid van de garage op de “gebruikelijke wijze”). Het hof had moeten uitgaan van de tekst van de notariële akte van 22 oktober 2010 (uitoefening op de “minst bezwarende wijze”). Door bij het bepalen van de rechtspositie van partijen gebruik te maken van het proces-verbaal, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel heeft het zijn oordeel onjuist of onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. Daarbij wordt verwezen naar rechtspraak omtrent voor de uitleg van notariële (vestigings)akten geldende objectieve uitlegnorm.
tweede klacht(
p.i., nr. 1.11 jo. 1.1-1.3) luidt dat het hof, door uit te gaan van de partijafspraak, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat [verweerder] geen grief heeft gericht tegen rov. 4.3 van het vonnis, waarin de voorzieningenrechter overweegt dat [verweerder] weliswaar de uit de in de notariële akte opgenomen erfdienstbaarheid voortvloeiende rechten heeft, maar wel met uitoefening daarvan op de minst bezwarende wijze, en (ii) dat [verweerder] in beide instanties nakoming van de erfdienstbaarheid (en dus niet van de partijafspraak [16] ) heeft gevorderd.
aldus”dat hem wordt bevolen dat de garage “
op de gebruikelijke wijze als weergegeven in productie 3” voor de auto en de spullen van [verweerder] ter beschikking komt te staan (rov. 4.1 sub a en rov. 5.1). Het hof heeft het gevorderde kennelijk aldus begrepen dat [eiser] wordt veroordeeld tot nakoming van de erfdienstbaarheid
op de wijzeals partijen tijdens de voortgezette behandeling van het eerste kort geding op 26 mei 2021 ter beëindiging van hun geschil zijn overeengekomen. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk. [verweerder] heeft er immers, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, bij herhaling op gewezen dat partijen ter zitting heldere afspraken hebben gemaakt, die moeten worden nagekomen en waarmee het handelen van [eiser] in strijd is. [17]
derde klacht(
p.i., nr. 1.12) raakt het voorgaande ook rov. 6.5 en 6.6, nu daarin eveneens is uitgegaan van de “gebruikelijke wijze van parkeren” en de partijafspraak van 26 mei 2021. Deze voortbouwende klacht faalt in het voetspoor van de vorige klachten.