Conclusie
1.Overzicht
stand byop zijn standplaats in het VK en volgde hij 37 dagen training in het VK. In geschil is aan welk land het belastingverdrag 2008 tussen Nederland en het VK (het Verdrag) het heffingsrecht toewijst voor het loon dat aan die 55 dagen kan worden toegerekend.
Rechtbankzag niet in dat de context bedoeld in art. 3(1)(h) Verdrag in dit geval zou meebrengen dat aan de term ‘internationaal verkeer’ in art. 14(3) Verdrag een van de tekst van art. 3(1)(h) Verdrag afwijkende uitleg zou moeten worden gegeven. Art. 14(3) Verdrag wijst inkomsten uit werkzaamheden als bemanningslid in internationaal verkeer toe aan de woonstaat (Nederland) en uit de parlementaire toelichting op de goedkeuringswet volgt niet dat de Verdragssluiters zouden hebben beoogd om in gevallen waarin op sommige dagen alleen op het grondgebied van de niet-woonstaat wordt gewerkt, het heffingsrecht over de aan die dagen toerekenbare inkomsten toe te wijzen aan de niet-woonstaat. De Rechtbank achtte de beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden.
ter zake vaneen dienstbetrekking als lid van de bemanning van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd”. Die omschrijving omvat ook de beloning voor werkzaamheden die in verder verwijderd verband staan tot het rechtstreekse werk aan boord van een vliegtuig op internationale vluchten, zoals de werkzaamheden op de 55 litigieuze dagen.
stand byen 37 dagen training) aan het VK is toegewezen omdat op die dagen geen sprake was van enig ‘verkeer’ of ‘vervoer’ tussen twee of meer plaatsen, laat staan van enig internationaal verkeer en omdat hij op die dagen ook niet op enige werklijst stond met bemanningsleden voor enige vlucht. Het Hof heeft ook dat standpunt verworpen. Mede gegeven de aard van de werkzaamheden aan de grond - training en
stand by– kan de beloning daarvoor volgens het Hof worden toegerekend aan de dienstbetrekking als bemanningslid van een luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd.
onderdeel (i)als volgt: de definitie van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(h) Verdrag geldt niet voor art. 14(3) Verdrag omdat de context bedoeld in art. 3(1)(h) een andere uitleg eist in verband met het feit dat de definitie van internationaal verkeer in art. 3(1)(h) bedoeld is om winst uit luchtvaart exclusief toe te wijzen aan de exploitantstaat (art. 8(1) OESO-Modelverdrag 2005). Uit het OESO-commentaar op het OESO-model 2005 volgt dat de definitie van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(h) Verdrag is gebaseerd op de principes van art. 8(1) OESO-modelverdrag en dat die definitie daarom ruimer is dan de gewone betekenis van internationaal verkeer, zulks om de exploitantstaat bevoegd te maken niet alleen verkeer tussen staten, maar ook binnenlands verkeer in de exploitantstaat en verkeer van en naar en tussen derde Staten te vatten. De andere Staat is alleen bevoegd ter zake van vervoer binnen diens grenzen. In het OESO-Model 2005 zijn art. 8 (winst uit internationaal verkeer) en art. 15(3) (loon uit dienstbetrekking als bemanning in internationaal verkeer) op elkaar afgestemd door beide ruim toe te wijzen aan de exploitantstaat. Die afstemming bestaat niet tussen art. 8 en Pro art. 14(3) Verdrag omdat art. 14(3) afwijkt van het OESO-Model 2015 door het loon voor bemanning in internationaal verkeer toe te wijzen aan de woonstaat. De principes die ten grondslag liggen aan art. 8 OESO Pro-modelverdrag en aan de ruime definitie van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(h) (Verdrag en OESO-Model 2005) gelden dus niet voor de interpretatie van art. 14(3) Verdrag, aldus de belanghebbende. Daardoor eist de context een andere betekenis van ‘internationaal verkeer’ dan de te ruime van het immers niet op art. 14(3) Verdrag NL-VK toepasselijke art. 3(1)(h) Verdrag. Daaruit volgt dat geen verdragsbetekenis voorhanden is voor ‘internationaal verkeer’ in art. 14(3) Verdrag, zodat die term volgens art. 3(2) Verdrag moet worden uitgelegd naar nationaal recht, dat echter evenmin een omschrijving van die term inhoudt, zodat volgens art. 31(1) van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht de gewone betekenis van de term ‘internationaal verkeer’ geldt, i.e. verkeer tussen verschillende Staten. Voor de beloning toerekenbaar aan de 55 niet-internationale dagen geldt dan niet art. 14(3), maar art. 14(1) Verdrag, dat het heffingsrecht aan het VK toewijst.
nietzou gelden voor de identieke term in art. 14(3) Verdrag. De context van die afwijking is dat het VK geen werkelijke-leidingstaatheffing wilde, maar een woonstaatheffing, net zoals in het voorafgaande verdrag, zij het veel ruimer (in beginsel exclusief) dan in die voorganger, vermoedelijk om toepassing eenvoudiger te maken en omdat daartoe in 2008 al vooruit gelopen kon worden op de daarop gerichte formulering van de woonstaatheffing die uiteindelijk in 2017 ook in het OESO-Model is ingevoerd in afwijking van de winsttoewijzing in art. 8 (winst) OESO-Model. Bij die invoering in 2017 is de definitie van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(e) OESO-Model nog verder verruimd, zonder dat het Commentaar op welke wijze dan ook suggereert dat die nog ruimere algemene verdragsdefinitie niet zou gelden voor het gewijzigde art. 15(3) OESO-Model 2017, integendeel: het 2017-commentaar vermeldt juist dat de bedoeling was “to provide a clearer and administratively simpler rule concerning the taxation of the remuneration of these crews.” Daarbij past bepaald niet het uitsplitsen en gefragmenteerd toerekenen van het loon van een piloot afhankelijk van de vragen of hij op een bepaalde dag traint of vliegt of
stand byis of nog iets anders doet, en
alshij vliegt, of hij dan binnen een Verdragsstaat of tussen de Verdragsstaten of naar of van of tussen derde staten vliegt.
winstuit luchtvaartexploitatie exclusief toe te wijzen aan de
exploitantstaat, zo was het ook hun bedoeling om in afwijking van het OESO-Model 2005 en van hun eerdere verdrag om het
loon uit dienstbetrekkingals bemanningslid in internationaal verkeer exclusief toe te wijzen aan de
woonstaat van het bemanningslid, in beide gevallen om de onpraktische splitsings- en toerekeningsproblemen te vermijden die belanghebbendes standpunt juist creëert.
lid 1van art. 14 Verdrag Pro geldt volgens de belanghebbende niet dat beloningen die in verder verwijderd verband staan tot de directe uitoefening van de dienstbetrekking aan boord daaraan ook zijn toe te rekenen. Dat kan dan zijns inziens voor
lid 3van art. 14 Verdrag Pro niet anders zijn. Hij wijst op HR
BNB2015/191, waarin werkzaamheden die louter ondersteunend of ondergeschikt zijn aan de hoofdtaak en buiten de contractueel overeengekomen arbeidsuren worden verricht niet tot de werkzaamheden werden gerekend waarvoor het loon werd toegekend. De belanghebbende acht zijn werk op de gronddagen niet bijkomend, maar essentieel onderdeel van de dienstbetrekking. Dit betoog steunt mijns inziens zijn standpunt niet. Als zijn werk op de grond (training en
stand by) essentieel onderdeel is van zijn dienstbetrekking, bestaat te meer reden om zijn volledige beloning als loon uit die dienstbetrekking toegewezen te achten aan de in beginsel exclusief bevoegde woonstaat. Het betoog bestrijdt overigens een niet-bestaand oordeel omdat het Hof de werkzaamheden aan de grond niet als louter ondersteunend en ondergeschikt heeft aangemerkt. Ik acht deze klacht ongegrond.
stand-byen 37 dagen training) niet aan de woonstaat is toegewezen omdat op die dagen geen sprake was van (i) ‘internationaal verkeer’, noch van (ii) een “luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd”, noch van (iii) een “lid van de bemanning van een luchtvaartuig” omdat hij voor die dagen niet voorkwam op enige lijst met namen van de bemanning op enige vlucht. Ook dit onderdeel bestrijdt in zoverre een niet bestaand oordeel dat het Hof op geen van deze drie punten heeft geoordeeld dat het wél zo zou zijn en ook hier geldt dat ’s Hofs oordeel wél strookt met de Verdragstekst en belanghebbendes lezing daarmee niet strookt. De tekst van art. 14(3) Verdrag eist geenszins dat de meeste, laat staan alle werkzaamheden verricht worden aan boord van een schip of vliegtuig, maar slechts dat een dienstbetrekking bestaat als lid van de bemanning van een schip of vliegtuig dat internationaal wordt geëxploiteerd. Volgens de internationale literatuur moeten met de exclusieve toewijzing van loon als bemanning in internationaal verkeer in art. 15(3) OESO-Model de door de belanghebbende voorgestane loonsplitsingen en gefragmenteerde toewijzing juist voorkomen worden. Volgens die literatuur kan het loon voor werkzaamheden aan de grond zoals ‘stand-by periods and company-sponsored training’ dan ook niet afgesplitst worden van het loon uit de dienstbetrekking in internationaal verkeer als (de beloning voor) het grondwerk niet zowel feitelijk als contractueel duidelijk van het werk aan boord kan worden onderscheiden. De belanghebbende betoogt zelf dat zijn grondwerk essentieel onderdeel is van zijn dienstbetrekking en behoort tot de contractueel overeengekomen arbeidsuren. Ik acht ook deze klacht daarom ongegrond.
2.Feiten, geschil en procesverloop
stand byop zijn standplaats in het VK en
subsistence allowanceen
flying duty allowancetot het loon moeten worden gerekend. Tot de gedingstukken behoren de door [A] opgestelde
Pilots Policies & Procedures(PPP), die onder meer inhouden:
Her Majesty’s Revenue and Customs: HMRC) staat een
Employment income manualdat de volgende omschrijvingen geeft: [1]
Employment income: scale rate expenses payments: accommodation and subsistence payments to employees travelling outside the UK: Airline employees: relationship with Flight Duty Allowances
subsistence allowanceen de
flying duty allowancetot het loon moeten worden gerekend of zijn vrijgesteld in art. 3.84(2) Wet IB 2001.
3.De procedure in feitelijke instanties
détournement de pouvoirzou hebben geschonden.
subsistence allowanceen
flying duty allowancebehoren volgens de Rechtbank als niet-specifieke vergoedingen tot belanghebbendes fiscale loon.
détournement de pouvoir.
ter zake van een dienstbetrekkingals lid van de bemanning van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. Deze omschrijving laat ruimte voor toerekening aan die dienstbetrekking ook van beloningen die in een wat verder verwijderd verband staan tot de directe uitoefening van de dienstbetrekking als lid van de bemanning van een schip of luchtvaartuig. Mede gegeven de aard van het werk op de grond – training en
stand by- kan dat werk en daarmee de beloning ervoor worden toegerekend aan de werkzaamheden als bemanningslid van een vliegtuig in internationaal verkeer. Nu geen sprake is van binnenlands vervoer in Nederland, is het hele loon toerekenbaar aan het werk als bemanningslid van een vliegtuig in internationaal verkeer. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het arbeidscontract ook de PPP omvat, die aanwijzingen geeft voor (i) werk op de standplaats, (ii) training aan de grond en (iii)
stand byaldaar. Het Hof verwijst naar twee arresten van de Hoge Raad, [7] waaruit afgeleid kan worden dat dagen waarop een werknemer zich beschikbaar moet houden zonder feitelijk arbeid te verrichten, meetellen als onderdeel van de dienstbetrekking.
subsistence allowanceen
flying duty allowanceals niet-specifieke vergoedingen tot belanghebbendes fiscale loon behoren.
4.Het geding in cassatie
tussenStaten. Voor de beloning ter zake van het werk op de 55 Britse dagen geldt dan niet art. 14(3), maar art. 14(1) Verdrag, dat het heffingsrecht aan het VK toewijst.
BNB2015/191 volgt dat werkzaamheden die louter ondersteunend of ondergeschikt zijn aan de hoofdtaak en die buiten de contractueel overeengekomen arbeidsuren worden verricht, in het algemeen niet tot de werkzaamheden behoren waarvoor het loon wordt toegekend; (ii) bij het werk op de 47 gronddagen is geen sprake van enig verkeer of vervoer tussen twee plaatsen, noch van een luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, noch van een lid van de bemanning van een luchtvaartuig, nu de belanghebbende voor dat werk niet wordt vermeld op enige lijst als bemanningslid voor enige vlucht.
5.De verdragsteksten en toelichtingen
Statutory Instrumentwaarmee het Verdrag aan Britse zijde in nationaal recht is omgezet, vermeldt het volgende over de art. 14(3) en 30(3) van het Verdrag: [12]
2017luidt als volgt:
6.Literatuur
‘Unless the context otherwise requires’
context does not require otherwise. (…). This caveat only reflects the general rule of interpretation contained in Article 31(1) VCLT that each term has to be interpreted in line with its context and in light of its object and purpose. [21] The caveat grants judges in countries that adhere to a strict constructionism a certain degree of freedom in interpretation which the continental judge enjoys in any event without such express proviso. [22] ”
6. Employment Not Exercised Aboard a Ship or Aircraft: Extension to Other Means of Transport?
Klaus Vogel on Double Taxation Conventions. Die waren bewerkt door Prokisch [26] en luidden als volgt:
d)The term ‘
ships’ includes all means of transport moving or moved on or under water, and, therefore, covers submarines and hydrofoils as well (cf.
suprainland waterway transport, see
supraArt. 8, at m.no. 28.
aboarda ship whenever an employee’s
customary place of workis aboard the ship in question. Therefore, the fact that a ship’s officer may also have to perform activities off the ship on land, e.g., in dealings with port authorities, shippers, etc, just as a seaman has when the ship is docking or being loaded, does not result in the splitting up of their remuneration on account of elements of Art. 15 (1) being applied (thus, for stand-by periods and company sponsored training courses,
FG Hamburg, 35 EFG 285 (1987), re
Germany’sDTC with
Liberia). Conversely, Art. 15 (3) is not applicable to freight in port. Even a
pilot[havenloods; PJW] is not deemed to exercise his employment ‘aboard’ a ship within the meaning of the MCs. In view of the basic philosophy underlying the provision (see
supram.no. 63), Art. 15 (3) must, in this respect, be given a restrictive interpretation (‘teleological reduction’). On the other hand, unlike under Art. 8 preparatory Pro and auxiliary activities exercised exclusively on land do not come under the term ‘employment’ as used in Art. 15 (3). That is why a splitting of remuneration with one element being taxed in accordance with Art. 15 (1) and the other with Art. 15 (3), will occur in exceptional cases only, viz. if employees take turns at exercising activities which are typically separate.
aircraft’ covers all flying machines that take off from, or touch down on, water or land and are capable of moving in air space, no matter what height they fly at. (…). What is said regarding employment exercised ‘aboard’ ships applies,
mutatis mutandis, to aircraft as well (see the preceding m.no.).
international traffic’. The latter term is defined in Art. 3 (1)(d) (cf.
supraArt. 8, at m.no. 34, for details. (…).”
Bulletin for International TaxationMarch/April 2017 diep in op art. 15(3) OESO-modelverdrag. Uit de opbouw en inhoud van art. 15 OESO Pro-modelverdrag (pre-2017) volgt huns inziens dat het voornaamste doel van lid 3 is om ondoelmatige fragmentatie van de toewijzing van het heffingsrecht over loon in internationaal verkeer te voorkomen:
aboarda ship or aircraft
’en bespreken vier mogelijke interpretaties daarvan:
derived in respectof an employment exercised aboard … “). A comparable expression is used in art. 15(1) to express the causality between the remuneration and the underlying activity. This causality means that those remunerations alone fall under art. 15(3) if and in so far as they can be attributed to the employment exercised aboard a ship or aircraft operated in international traffic or aboard a boat engaged in inland water-ways transport. Other activities have to be separated from the services qualifying for art. 15(3) of the OECD Model.”
MBB2012/10 (dus vóór de 2017-wijziging van het OESO-Model) over “aan boord werken”:
7.Middelonderdeel (i); de ‘context’ van ‘internationaal verkeer’
neither here nor there, omdat art. 14(3) van het Verdrag NL-VK evident
nietafgestemd is op art. 8, evenmin als zijn voorganger in het Verdrag NL-VK 1980 daarop was afgestemd. Art. 14(3) Verdrag NL-VK en diens voorganger houden expliciet een woonstaatheffing in, in afwijking van art. 8, dat de winst van een internationale luchtvaartonderneming aan de werkelijke-leidingstaat toewijst.
Se non è vero, è ben trovato. Ik vind het vergezocht. Het valt niet in te zien dat de context van de afwijking in art. 14(3) Verdrag (woonstaatheffing) van art. 15(3) OESO-Model 2005 (werkelijke-leidingstaatheffing) zou eisen dat de volgens zijn tekst (‘for the purposes of this convention’) voor het gehele verdrag geldende betekenis van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(h) Verdrag niet zou gelden voor de identieke term in art. 14(3) Verdrag. De context van die afwijking is immers dat het VK geen werkelijke-leidingstaatheffing wilde, maar een woonstaatheffing, net zoals in het daaraan voorafgaande verdrag, zij het anders geformuleerd dan in die voorganger, vermoedelijk omdat in 2008 al vooruit gelopen kon worden op de formulering van de woonstaatheffing die uiteindelijk in 2017 ook in het OESO-Model is ingevoerd in afwijking van de winsttoewijzing in art. 8. De duidelijkste aanwijzing dat belanghebbendes redeneringen geen hout snijden is dat ook het OESO-Model in 2017 een woonstaatheffing in art. 15(3) heeft ingevoerd in plaats van een werkelijke-leidingstaatheffing (zie 5.13 hierboven) én daarbij tegelijk de verdragsdefinitie van ‘internationaal verkeer’ in art. 3(1)(e) nog verder heeft verruimd (zie 5.12 hierboven), zonder in het bijbehorende Commentaar op welke wijze dan ook te suggereren dat die nog ruimere algemene verdragsdefinitie niet zou gelden voor het naar woonstaatheffing gewijzigde art. 15(3), integendeel: uit het 2017-commentaar bij de invoering van de woonstaatheffing volgt juist dat de bedoeling daarvan was “to provide a clearer and administratively simpler rule concerning the taxation of the remuneration of these crews.” Daarbij past met zekerheid niet het uitsplitsen en gefragmenteerd toerekenen van het loon van een piloot afhankelijk van de vragen of hij op een bepaalde dag traint of vliegt of
stand byis of nog iets anders doet, en
alshij vliegt, of hij dan binnen een Verdragsstaat of internationaal of naar of van of tussen derde staten vliegt.
8.Middelonderdeel (ii) (subsidiair): de 47 Britse gronddagen
lid 1van art. 14 Verdrag Pro dezelfde zinsnede ‘ter zake van een dienstbetrekking’ als art. 15(1) OESO-modelverdrag 2005 en voor die bepaling geldt niet dat beloningen die in een wat verder verwijderd verband staan tot de directe uitoefening van de dienstbetrekking daaraan ook zijn toe te rekenen. Aan dezelfde zinsnede in
lid 3van art. 14 Verdrag Pro kan dan geen ruimere reikwijdte gegeven worden. Daarvoor bieden het OESO-commentaar en de totstandkomingsgeschiedenis van het Verdrag geen aanwijzingen. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst hij op HR
BNB2015/191, waarin u rechtskundig niet onjuist achtte het (met waarderingen van feitelijke aard verweven) oordeel van het Hof dat werkzaamheden die louter ondersteunend of ondergeschikt zijn aan de hoofdtaak en buiten de contractueel overeengekomen arbeidsuren worden verricht, behoudens andersluidende afspraken in het algemeen niet tot de werkzaamheden behoren waarvoor het loon wordt toegekend. De belanghebbende betoogt dat zijn werk op de gronddagen niet bijkomend is, maar essentieel onderdeel van zijn dienstbetrekking.
stand by) essentieel onderdeel is van zijn dienstbetrekking als bemanning in internationaal verkeer, bestaat te meer reden om zijn volledige beloning als inkomsten uit die dienstbetrekking toegewezen te achten aan de in beginsel exclusief bevoegde woonstaat.
stand-byen 37 dagen training) niet aan de woonstaat is toegewezen omdat op die dagen geen sprake is van (i) ‘internationaal verkeer’ in de zin van art. 3(1)(h) Verdrag, noch van (ii) een “luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd”, noch van (iii) een “lid van de bemanning van een luchtvaartuig” in de zin van art. 14(3) Verdrag omdat hij voor die dagen niet voorkwam op enige lijst met namen van de bemanning op enige vlucht. Training en
stand-byis niet het besturen van een vliegtuig. De belanghebbende acht voor het loon toerekenbaar aan de 47 gronddagen daarom niet art. 14(3), maar art. 14(1) Verdrag van toepassing.
stand by, werk op de basis, en het volgen van trainingen aan de grond. Dat alles wijst op onsplitsbaarheid.