Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 juni 2023.
Hoge Raad
De man, woonachtig in de Verenigde Staten, stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de rechtbank die de hoofdverblijfplaats van zijn zoon bij de vrouw had vastgesteld na hun echtscheiding. Op de uiterste datum diende hij een V1-formulier in zonder het vereiste beroepschrift, dat pas de dag erna via Veilig Mailen werd ontvangen. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift te laat was ingediend en oordeelde dat de intentie tot hoger beroep geen bijzondere omstandigheid vormde voor termijnoverschrijding.
De man stelde in cassatie dat het indienen van het V1-formulier met stukken op de uiterste dag een administratieve fout was die hersteld werd door het beroepschrift van de volgende dag. De Hoge Raad overwoog dat de verzoekschriftprocedure niet vereist dat gebreken in het verzoekschrift hersteld kunnen worden en dat het hof terecht oordeelde dat het beroepschrift te laat was ingediend. Ook was er geen sprake van een apparaatsfout van de griffie, aangezien deze niet verplicht is te waarschuwen voor ontbrekende stukken.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. De beslissing benadrukt het strikte karakter van termijnregels en de beperkte ruimte voor herstel in verzoekschriftprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van een tijdig ingediend beroepschrift.