Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 september 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het mishandeling, meermalen gepleegd, waarop het gerechtshof Den Haag op 1 juni 2022 een arrest heeft gewezen. De verdachte stelde in cassatie dat hem niet het recht was gelaten het laatst te spreken, zoals vereist volgens artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep toonde aan dat de voorzitter de verdachte maande stil te zijn of de zaal te verlaten, waarna de verdachte de zittingszaal verliet. De verdediging en het Openbaar Ministerie voerden vervolgens het woord zonder dat expliciet bleek dat de verdachte afstand had gedaan van zijn recht om het laatst te spreken.
De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 311 lid 4 Sv Pro, dat op straffe van nietigheid het recht van de verdachte om het laatst te spreken garandeert, niet was nageleefd. Omdat niet uit het proces-verbaal bleek dat de verdachte bewust afstand had gedaan van dit recht, moest het arrest van het hof worden vernietigd.
De zaak is terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een hernieuwde berechting en afdoening, waarbij het recht van de verdachte om het laatst te spreken in acht moet worden genomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het recht van de verdachte om het laatst te spreken wordt gerespecteerd.