Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
keuzeis gesteld buiten te wachten. Daaruit volgt dat de verdachte er op kon en mocht vertrouwen dat hem nog het recht zou worden gegeven het laatste te spreken, althans heeft het hof ten onrechte niet doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte bewust afstand heeft gedaan van zijn recht. Het hof heeft daarom volgens de steller van het middel in strijd gehandeld met het op straffe van nietigheid voorgeschreven voorschrift van art. 311 lid 4 Sv Pro, althans de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het arrest moet worden vernietigd.
omvangvan het laatste woord. [14] Arresten waarin een gewaarschuwde verdachte de zittingszaal heeft moeten verlaten en waarin in cassatie wordt geklaagd dat de verdachte (daardoor) zijn laatste woord
in het geheel nietheeft kunnen voeren, lijken er nauwelijks te zijn. Een eerste voorbeeld hiervan is HR 18 mei 1971, DD 71.079. Het cassatiemiddel luidde dat de politierechter geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de verdachte om schriftelijk vonnis te wijzen en hem niet het laatste woord heeft verleend. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op bevel van de politierechter uit de gehoorzaal was verwijderd en dat hij zijn verzoek om een schriftelijk vonnis deed op het moment waarop hij buiten de orde was, hetgeen meebrengt dat de verdachte zich niet met vrucht op het bepaalde in art. 311 lid 4 en Pro art. 379 Sv Pro kan beroepen.
NJ2008/43 m.nt. P.A.M. Mevis. Het middel behelsde de klacht dat, nadat de verdachte uit de zittingszaal was verwijderd, het hof de verdachte niet in de gelegenheid had gesteld kennis te nemen van het gehele requisitoir van de advocaat-generaal, zich te verdedigen en het laatste woord te voeren. De voorzitter had de verdachte,
die niet door een raadsman werd bijgestaan, wegens herhaalde ordeverstoring uit de zittingszaal laten verwijderen. Het hof had de verdachte op een later moment niet (meer) in de gelegenheid gesteld zonder ordeverstoringen bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en het woord te voeren. De advocaat-generaal
vorderde een gevangenisstraf van twaalf jarenen requireerde buiten aanwezigheid van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat gelet op art. 6 EVRM Pro het hof onder deze omstandigheden (A-G: geen bijstand van een raadsman en een hoge strafeis) na afloop van het requisitoir van de advocaat-generaal had dienen na te gaan of de verdachte, binnen door de voorzitter te bepalen grenzen van de orde op de terechtzitting, in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren. [15]
kande zaak bij verstek worden behandeld (art. 280 lid 1 Sv Pro). De niet verschijning wordt – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – begrepen als een vrijwillige afstand van het aanwezigheidsrecht (en die afstand omvat ook het afstand van het laatste woord). [16]
kande zaak worden behandeld. Die behandeling geldt als een behandeling op tegenspraak (art. 279 Sv Pro). De raadsman heeft in dit geval de bevoegdheid als laatste het woord te voeren (art. 331 Sv Pro). Hij moet zelf bewaken dat hij de gelegenheid krijgt die bevoegdheid te effectueren. [17]
moetop straffe van nietigheid in de gelegenheid worden gesteld als laatste het woord te voeren (art. 311 lid 4 Sv Pro).
moetde verdachte op straffe van nietigheid in de gelegenheid worden gesteld als laatste het woord te voeren. Voor zover de raadsman als één na laatste nog het woord wil voeren, dient hij daarom te verzoeken. (Dus idem als onder ii).
NJ2008/43 bepleit: “De regel dat het gerecht in elk geval voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting onderzoekt of een verwijderde verdachte wellicht toch – onder voorwaarde van het achterwege laten van verdere ordeverstoringen – in staat is om het laatste woord te voeren en daar ook behoefte aan heeft, kan, als algemene regel, zelfs wel in het Wetboek van Strafvordering worden opgenomen.”
op zijn lastuit de zittingszaal
te verwijderen. In het onderhavige geval heeft de voorzitter de verdachte immers
de keuzegelaten om zijn mond te houden of de zaal te verlaten en buiten te wachten. Die handelwijze lijkt het meest op de onder vi. geschetste situatie.
en buiten te wachten. In die laatste bewoordingen ligt besloten dat de verdachte op enig moment zal worden binnengevraagd zodat de rechter met eigen ogen kan vaststellen of hij inmiddels is gekalmeerd, kan worden bijgepraat over hetgeen gedurende zijn afwezigheid in de zittingszaal heeft plaatsgevonden én in de gelegenheid kan worden gesteld gebruik te maken van het laatste woord. Het komt mij voor dat de voorzitter die de verdachte de keuze laat om buiten de zittingszaal te wachten, zelf dient te bewaken dat de verdachte vóór het sluiten van de zitting in de gelegenheid wordt gesteld weer tot de zittingszaal te worden toegelaten. De verantwoordelijkheid daarvoor kan niet (alleen) worden belegd bij de raadsvrouw. Daarvoor is het belang van het recht op het laatste woord te groot. [21]