Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een openlijke geweldpleging door verdachte, haar partner en ex-partner tegen een man die haar zoontje op zijn gedrag had aangesproken tijdens een paastoernooi bij een voetbalvereniging in Capelle aan den IJssel. De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld op grond van artikel 141 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
In cassatie stelde de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het was afgeweken van het onderbouwde standpunt van de verdediging over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en getuigen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat gezien de opgelegde taakstraf van veertig uur geen aanleiding bestond om hieraan een ander rechtsgevolg te verbinden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Den Haag.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de taakstraf van veertig uur voor openlijke geweldpleging.