Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
8 oktober 2024.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie en handel in valse bankbiljetten. In cassatie werd de methode van voordeelsberekening aangevochten, met name het gebruik van een aanvullend proces-verbaal dat afweek van eerdere berekeningen.
De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het deel van de uitspraak dat de hoogte van de betalingsverplichting betrof, met vermindering van het bedrag, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren.
Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro werd ambtshalve besloten tot vermindering van de betalingsverplichting van €56.108,01 naar €53.300. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak over de hoogte van de betalingsverplichting en wees het beroep voor het overige af.
Uitkomst: Betalingsverplichting ontneming verminderd tot €53.300 wegens overschrijding redelijke termijn, beroep verder verworpen.