ECLI:NL:HR:2024:125

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
29 januari 2024
Zaaknummer
21/04944
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 359.2 SvArt. 6:83.b BWArt. 81.1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in belagingzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over belaging, waarbij de verdachte gedurende meer dan een half jaar de aangever en diens familie herhaaldelijk heeft lastiggevallen via telefoontjes, WhatsApp- en e-mailberichten nadat de seksuele relatie was verbroken.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden, zonder nadere motivering.

Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, naar 171 uur taakstraf, subsidiair 85 dagen hechtenis.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de strafmaat betreft, vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis conform de redelijke termijn, en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd naar 171 uur en de vervangende hechtenis naar 85 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04944
Datum30 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2021, nummer 22-004151-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 171 uren beloopt, subsidiair 85 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 januari 2024.