ECLI:NL:HR:2024:1296

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
22/03916
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 219 GemeentewetArt. 223 GemeentewetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid forensenbelastingtarief gekoppeld aan WOZ-waarde

Belanghebbende was het niet eens met de door het bestuur van Tribuut Belastingcentrum opgelegde aanslagen forensenbelasting voor de jaren 2018 en 2019, welke waren gebaseerd op een percentage van de WOZ-waarde van zijn woning. Hij stelde dat deze koppeling in strijd was met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwierp dit standpunt en bevestigde de rechtmatigheid van de aanslagen. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat het beroep ongegrond is, mede verwijzend naar een recent arrest waarin soortgelijke klachten werden afgewezen.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om de uitspraak van het hof te vernietigen en hoefde geen nadere motivering te geven voor de overige klachten, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ook werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Hiermee is bevestigd dat het heffen van forensenbelasting op basis van een percentage van de WOZ-waarde van de woning binnen de wettelijke kaders van de Gemeentewet valt.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslagen forensenbelasting blijven rechtsgeldig.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03916
Datum27 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN TRIBUUT BELASTINGCENTRUM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 september 2022, nrs. BK-ARN 21/00075 en BK-ARN 21/00604 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/33 en AWB 20/3186) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 opgelegde aanslagen in de forensenbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.A.J. Kalsbeek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van Tribuut belastingcentrum, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de forensenbelasting opgelegd. De aanslag voor het jaar 2018 bedraagt € 1.349,12, zijnde 0,544 procent van de WOZ-waarde van de woning. De aanslag voor het jaar 2019 bedraagt € 1.382,10, zijnde 0,542 procent van de WOZ-waarde van de woning.
2.2
Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat de hoogte van de forensenbelasting volgens de Verordening forensenbelasting 2018 en de Verordening forensenbelasting 2019 van de gemeente Epe afhankelijk is van de WOZ-waarde van de woning en dus van het vermogen en dat dit in strijd is met artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Het negende middel, dat zich keert tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof, faalt op de gronden die zijn vermeld in het op 13 september 2024 uitgesproken arrest van de Hoge Raad met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.3.
3.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.