Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:1298

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
23/03216
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 219 GemeentewetArt. 223 GemeentewetArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt aanslag forensenbelasting Gulpen-Wittem wegens onvoldoende belangenafweging

Belanghebbende, eigenaar van een woning in Gulpen-Wittem maar woonachtig in een andere gemeente, kreeg voor 2020 een forensenbelasting opgelegd met een verhoogd tarief. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en oordeelde dat de Verordening forensenbelasting niet in strijd was met algemene rechtsbeginselen.

Belanghebbende stelde dat de Verordening onverbindend was omdat de belangen van eigenaren van tweede woningen niet waren meegewogen, en dat de tariefsverhoging leidde tot een individuele buitensporige last. Het hof verwierp deze bezwaren wegens onvoldoende onderbouwing.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de belangenafweging door de gemeentelijke wetgever voldoende was. De zaak wordt verwezen naar een eerder arrest waarin dit aspect nader is uitgewerkt. De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en vermindert de aanslag tot het tarief van vóór 2020.

Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het dagelijks bestuur en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking in proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij tariefsverhogingen in de forensenbelasting.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de aanslag forensenbelasting 2020 en vermindert deze tot het tarief van vóór 2020 wegens onvoldoende belangenafweging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03216
Datum27 september 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2023, nr. 22/00122 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nr. ROE 21/652) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Gulpen-Wittem.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S. Bosma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is eigenaar van een in de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: de gemeente) gelegen woning (hierna: de woning).
2.2
Belanghebbende heeft zijn hoofdverblijf in een andere gemeente. Hij heeft de woning gedurende meer dan negentig dagen van het jaar voor zichzelf beschikbaar. Ter zake daarvan heft de gemeente forensenbelasting.
2.3
In 2019 werd de forensenbelasting geheven naar een vast tarief van € 129 en een variabel tarief van 0,23 procent van de WOZ-waarde van de woning.
2.4
De aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2020 is opgelegd naar een vast tarief van € 280 en een variabel tarief van 0,56 procent van de WOZ-waarde van de woning. Deze aanslag berust op de Verordening forensenbelasting Gulpen-Wittem 2020 (hierna: de Verordening).

3.Procedure voor het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Verordening onverbindend is dan wel buiten toepassing moet worden gelaten.
3.2
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard op grond van in de bestreden uitspraak weergegeven vaststellingen en overwegingen in een uitspraak van het Hof van 25 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:247. Die overwegingen komen erop neer dat de vaststelling van de Verordening, met het hogere tarief, niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen.
3.3
Belanghebbende heeft ook betoogd dat de verhoging van de forensenbelasting voor hem leidt tot een individuele buitensporige last en daarom in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
3.4
Dit betoog heeft het Hof verworpen met de overweging dat belanghebbende niet (cijfermatig) heeft onderbouwd dat de forensenbelasting zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen, en aldus onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat sprake is van een individuele buitensporige last.
3.5
Belanghebbende heeft voorts betoogd dat voor elke afzonderlijke grondslag van de heffing, te weten het vaste deel en het variabele deel, aparte aanslagen zijn opgelegd, waarvan er één moet worden vernietigd omdat uit de Verordening volgt dat slechts één aanslag kan worden opgelegd.
3.6
Dit betoog heeft het Hof verworpen door, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1973, [3] te oordelen dat in dit geval voor hetzelfde belastbare feit naar verschillende grondslagen is geheven.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
De middelen I tot en met III zijn gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof.
4.2
De middelen houden onder meer in dat in de overwegingen van het Hof besloten ligt dat de gemeentelijke wetgever de belangen van eigenaren van tweede woningen niet heeft meegewogen. Daarom kan niet worden beoordeeld of de heffing overeenkomstig de Verordening met het verhoogde tarief algemene rechtsbeginselen schendt, en moet de Verordening jegens belanghebbende buiten toepassing blijven, aldus de middelen.
4.3
In zoverre slagen de middelen. De Hoge Raad verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.5.2 van het arrest dat de Hoge Raad op 13 september 2024 heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/00801, ECLI:NL:HR:2024:1178.
4.4
Middel IV is gericht tegen het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof. Middel V is gericht tegen het hiervoor in 3.6 weergegeven oordeel van het Hof. Deze middelen kunnen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [4]
4.5
In verband met hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De middelen I tot en met III behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad zal, onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.2 van het hiervoor in 4.3 genoemde arrest, de zaak afdoen door te beslissen als hierna vermeld.

5.Proceskosten

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar,
- vermindert de voor het jaar 2020 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de forensenbelasting tot een aanslag berekend naar het direct voorafgaand aan 2020 geldende tarief,
- draagt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.282 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.625 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.625 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2023:1200, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1224.
4.Vgl. wat middel vier betreft, HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, rechtsoverweging 2.4.4, tweede alinea.