Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen Groeivermogen N.V. en een individuele eiser over de verjaring van individuele schadevorderingen die aansluiten bij een collectieve actie op grond van art. 3:305a oud BW. In de collectieve actie was een verklaring voor recht toegewezen dat Groeivermogen onrechtmatig had gehandeld.
De kernvraag was of na deze toewijzing de zesmaandentermijn van art. 3:316 lid 2 BW Pro geldt voor het instellen van individuele schadevorderingen, of dat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen op grond van art. 3:319 lid 1 BW Pro. De rechtbank had verjaring aangenomen, het hof verwierp dit en stelde dat een nieuwe termijn begint te lopen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat art. 3:316 lid 2 BW Pro niet van toepassing is in deze situatie, omdat de collectieve actie een toewijzende uitspraak betreft en niet een afwijzing of niet-ontvankelijkheid. De verjaring van individuele vorderingen wordt gestuit zolang de collectieve actie loopt en begint opnieuw te lopen na het in kracht van gewijsde gaan van de toewijzende uitspraak, met een termijn van vijf jaar.
Deze uitleg sluit aan bij het doel van art. 3:305a BW om effectieve rechtsbescherming te bieden aan individuele belanghebbenden die niet zelf partij zijn in de collectieve actie. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de individuele vordering van de eiser niet verjaard was bij dagvaarding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen na een toewijzende verklaring voor recht in een collectieve actie.