Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
1 oktober 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreffende een uitleveringsverzoek van Turkije voor een persoon met Turkse nationaliteit.
De klacht in cassatie betreft het ontbreken van het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022, waardoor niet kan worden vastgesteld welke verweren door de raadsman zijn gevoerd. Hoewel het proces-verbaal van de zitting van 20 oktober 2020 wel aanwezig is, ontbreekt het latere proces-verbaal.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat de bevoegdheid om ontbrekende stukken op te vragen niet strekt tot het alsnog opmaken van niet bestaande stukken, maar erkent dat in bijzondere gevallen, zoals hier, de feitenrechter kan worden verzocht het proces-verbaal alsnog op te maken.
De Hoge Raad stelt de rechtbank Amsterdam in de gelegenheid het ontbrekende proces-verbaal op te maken conform wettelijke eisen en houdt verdere beslissing aan totdat dit is gebeurd. Daarna krijgt de raadsman gelegenheid aanvullende schriftuur in te dienen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en stelt de rechtbank in de gelegenheid het ontbrekende proces-verbaal op te maken.