Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond centraal de vraag of een geluidsopname van de terechtzitting in hoger beroep kan dienen ter vervanging van het schriftelijke proces-verbaal zoals vereist in art. 326 Sv Pro. Het proces-verbaal van de zitting van 12 en 14 november 2014 bevatte slechts een zakelijke weergave van de verklaringen van deskundigen die in het arrest werden gebruikt, aangevuld met een geluidsopname van de gehele zittingsdag. Deze geluidsopname werd ter beschikking gesteld aan de advocaat-generaal en raadsman.
De Hoge Raad overweegt dat art. 326 Sv Pro niet voorziet in een gedeeltelijke of volledige vervanging van het schriftelijke proces-verbaal door een geluidsopname. De vaststelling van de inhoud van de terechtzitting is opgedragen aan de voorzitter, rechters en griffier, die ook aanwezig zijn geweest. Het gebruik van een geluidsopname schuift deze taak door naar de later oordelende rechter, wat niet is toegestaan.
Daarnaast is de cassatieprocedure een schriftelijk proces waarin het uitluisteren van geluidsopnamen en het bieden van een mogelijkheid tot op- en aanmerkingen door partijen niet passend is. De Hoge Raad stelt dat indien de wetgever dit wenselijk acht, een regeling kan worden getroffen waarbij geluidsopnamen worden verstrekt ter controle van de verslaglegging, maar het proces-verbaal blijft beslissend.
Het middel is gegrond verklaard en de Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof om een proces-verbaal op te maken dat voldoet aan art. 326 Sv Pro. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 14 maart 2017, waarbij verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een geluidsopname het schriftelijke proces-verbaal niet kan vervangen en verwijst de zaak terug voor het opmaken van een proces-verbaal dat voldoet aan art. 326 Sv.