ECLI:NL:PHR:2025:1024

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
23/04478
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing in zaak van het uitgeven van valse bankbiljetten met onvoldoende bewijs voor opzet

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1979, veroordeeld door het gerechtshof Den Haag tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf weken voor het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten en diefstal. Het hof bevestigde gedeeltelijk het vonnis van de rechtbank Den Haag, maar de verdachte heeft cassatie ingesteld. De advocaat van de verdachte, A.M.V. Bandhoe, heeft één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het standpunt van de verdediging, dat de verdachte geen opzet had op de valsheid van het geld, is verworpen. Het hof heeft de bewezenverklaring van de valsheid van het bankbiljet gebaseerd op verklaringen van getuigen en forensisch bewijs, maar de verdediging betoogde dat de verdachte het biljet van een ander had gekregen en niet bekend was met de echtheidskenmerken van eurobankbiljetten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte de valsheid van het biljet had moeten opmerken, en dat de omstandigheden niet voldoende zijn om te concluderen dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het gerechtshof voor herbehandeling van de zaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04478
Zitting7 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 november 2023 door het gerechtshof Den Haag , na gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2022, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf weken met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, voor "opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven” (parketnummer 09-080935-21) en “diefstal” (parketnummer 09-199802-22). Daarnaast heeft het hof de proeftijd verlengd van een eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen opzet had op de valsheid van het door hem uitgegeven geld, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd is verworpen door het hof.
De relevante onderdelen van het arrest en het vonnis
2.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof door de bevestiging van het vonnis van de rechtbank onder andere bewezenverklaard dat:
“hij op 7 maart 2021 te [plaats ] , opzettelijk een vals bankbiljet van vijftig euro heeft uitgegeven.”
2.3
Aan deze bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:
“- Het proces-verbaal van aangifte [aangever] namens [A] B.V (…) d.d. 7 maart 2021 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, onder meer inhoudende (p. 11 en 12 van de digitale nummering);
Op 7 maart 2021 omstreeks 15:30 uur was ik hier dus aan het werk. Ik werd opgeroepen door een collega welke als caissière werkzaam was bij de servicebalie. Zij vertelde mij dat er geprobeerd was om te betalen met een vals biljet van 50,- euro. De collega achter de balie toonde mij een biljet van 50,- euro. Ik zag direct dat dit biljet nep was, het viel meteen op. Ik zag dat het watermerk ontbrak en de cijfers op het biljet waren groter. Het biljet voelde ook anders aan.
- Het proces-verbaal van verhoor van de [getuige] , (…) d.d. 7 maart 2021 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, onder meer inhoudende (p. 14 en 15 van de digitale nummering);
Op 7 maart 2021 omstreeks 15:30 uur was ik aan het werk als kassière bij de [A] . De man sprak mij aan in het Engels en vroeg een pakje Look out zwaar (shag). Ik vertelde hem de prijs van het product. Ik zag dat hij mij een briefje van 50 euro gaf.Ik pakte deze aan en haalde het briefte van 50 euro door de scanner heen die checkt of het geld echt is. Ik zag dat de scanner op rood sprong. Dit is het teken dat het geld niet echt is. Ik ben voor de zekerheid naar een andere scanner gelopen. Ik haalde hier ook het briefje van 50 euro doorheen. Deze scanner sprong ook op rood. Ik heb hierna mijn teamleider erbij geroepen. Ik zag dat zij het ook nog eens controleerde en de scanner ook op rood sprong.
- Het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte (…) d.d. 7 maart 2021 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, onder meer inhoudende (p. 3 en 4 van de digitale nummering);
Op zondag 7maart 2021 om 15:32 uur kregen waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , in uniform gekleed op [a-straat] te [plaats ] . Hier kregen wij via de portofoon het verzoek om te gaan naar de [A] gelegen aan [b-straat 1] te [plaats ] . Hier zou een persoon met een vals biljet van 50,- euro geprobeerd hebben om te betalen. In het magazijn troffen wij een man aan welke later [verdachte] te zijn. Ik, [verbalisant 1] , sprak met [getuige] . Zij verklaarde mij dat de verdachte had geprobeerd om shag te kopen met een vals biljet van 50,- euro. Zij verklaarde mij dat zij het biljet door verschillende keren door twee verschillende scanapparaten had gehaald. Zij verklaarde mij dat beide apparaten doorgaven dat het biljet vals was. Ik, [verbalisant 2] , zag een biljet van 50,- euro op tafel liggen. Ik vroeg [aangever] of dit het biljet was waarmee de verdachte had geprobeerd te betalen. Ik hoorde dat [aangever] dit bevestigde. Ik keek naar het biljet. Ik zag dat het watermerk op het biljet ontbrak. Ik voelde dat het papier van biljet anders voelde. Ik scheen met een UV-lamp op het biljet. Ik zag dat er geen watermerken verschenen. Hierdoor kreeg ik het vermoeden dat het biljet vals was.
- Het proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek vals bankbiljet, (…) d.d. 10 maart 2021 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, onder meer inhoudende (p. 17 van de digitale nummering);
Op woensdag 10 maart 2021, ontving ik, werkzaam als documentonderzoeker (document deskundige i.o.), een bankbiljet waarvan vermoed werd dat het vals of vervalst was. Bij het door mij ingestelde onderzoek aan het falsificaat, zag ik dat, onder andere, de navolgende echtheidskenmerken ontbraken:

De gebruikte reproductietechniek wijkt af van het origineel.

Het originele watermerk ontbreekt in het papier.

De originele veiligheidsdraad ontbreekt in het papier.
Het bankbiljet was aan de voor- en achterzijde nagebootst in een afwijkend techniek en de beveiligingskenmerken waren geïmiteerd. Het onderzoek wees uit dat het bankbiljet vals was.
2.4
Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 12 oktober 2022 vermeldt onder andere:
“De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven - als volgt:
(…) Het valse bankbiljet is opmerkelijker. Cliënt heeft boos opzet of geheel geen opzet gehad. Een bankbiljet aannemen van iemand zonder inkomen, zorgt niet direct voor het vermoeden dat het vals is. Dat de politie het direct aanvoelt, dat zou kunnen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat verbalisanten getraind zijn om dingen op te merken. Dit hoeft niet voor de verdachte te gelden. Ik ben van vakantie terug en heb veel geld in mijn handen gehad. Ik weet niet of het echt is of niet, maar ik heb het wel uitgegeven. Dit geldt ook voor cliënt. Daarom verzoek ik u om hem vrij te spreken.”
2.5
De in dit proces-verbaal opgenomen aantekening van het mondeling vonnis houdt onder het kopje “De strafoplegging” nog het volgende in:
“Een medewerker van de [A] en tevens de verbalisanten zien dat het een vals bankbiljet betreft. Het bankbiljet springt in het oog. Niet enkel door het zien, maar ook door het voelen ervan. De verdachte zou moeten weten dat het vals is en toch heeft hij het uitgegeven. Dit betekent dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op het uitgeven van vals geld.”
2.6
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 6 november 2023 heeft de verdediging naar voren gebracht:
“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en bepleit vrijspraak in de zaak met parketnummer 09-080935-21, nu haar cliënt geen opzet heeft gehad. Hij kreeg het bankbiljet van € 50,- van een dakloze om iets voor hem te gaan halen in de winkel en hij wist niet dat het om een vals bankbiljet ging. Daarnaast is het een muntsoort die hij niet gewend is vanuit Polen en hij kon niet meteen zien dat het vals geld betrof.”
2.7
Het arrest van het hof houdt ten slotte in:
“Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd (…)”
De bespreking van het middel
2.8
Zoals gezegd, wordt in het middel geklaagd dat het hof niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv.
2.9
Het juridisch kader bij de toepassing van deze wetsbepaling houdt, kort gezegd, in dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt een standpunt is dat door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter is voorgelegd. De motiveringsplicht, die eerst bij afwijking van zo’n standpunt geldt, brengt geen wijziging aan in de vrijheid van de rechter in de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, terwijl de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Wat betreft de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, komt betekenis toe aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Daarbij is van belang dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt waardoor de rechter niet tot een verdere weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt gehouden is. [1]
2.1
Hetgeen de raadsvrouw op de zitting van het hof heeft aangevoerd over het ontbreken van bewijs voor het tenlastegelegde, kan niet anders worden opgevat dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Daaraan doet niet af dat het pleidooi volgens de weergave in het proces-verbaal summier is geweest. Duidelijk kenbaar is immers dat dit betoog een conclusie bevat (vrijspraak), het gebrek nader duidt (de wetenschap van de valsheid van het geld ontbreekt en daarmee ook het opzet) en daarvoor twee argumenten geeft (de verdachte heeft het biljet van een ander gekregen en is niet gewend met eurobankbiljetten om te gaan).
2.11
Het hof is afgeweken van dit standpunt door tot een bewezenverklaring te komen.
2.12
Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof en de rechtbank volgt dat het middel niet kan slagen voor zover het inhoudt dat het hof in het geheel niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdediging naar voren had gebracht. Het hof heeft immers de gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust voor zijn rekening genomen. Dit vonnis bevat een bewijsoverweging over het opzet, kennelijk naar aanleiding van het betoog van de verdediging. Dit betoog was vrijwel gelijk aan hetgeen in hoger beroep naar voren was gebracht. [2] Dat de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje “De strafoplegging” staat, is verwarrend, maar neemt niet weg dat het vonnis wel ingaat op het door de verdediging gevoerde verweer.
2.13
In een geval als dit, waarin het uitgeven van vals geld ten laste is gelegd als bedoel in art. 213 Sr, dient bewezen te worden dat bij de verdachte (voorwaardelijk) opzet bestond op de valsheid van het bankbiljet op het moment dat hij dat biljet uitgaf. [3]
2.14
Het standpunt van de verdediging komt erop neer dat bij de verdachte zowel door de wijze van verkrijging van het bankbiljet als door het waarnemen daarvan, geen wetenschap is ontstaan van (een aanmerkelijke kans op) de valsheid van dit bankbiljet. De verwerping van dit standpunt door het hof komt erop neer dat de visuele en tactiele kenmerken van het bankbiljet zodanig in het oog springen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte kennis had van een aanmerkelijk kans op valsheid van het bankbiljet en die kans bewust heeft aanvaard. Het hof gaat daarbij niet in op de gestelde onbekendheid van de verdachte met de echtheidskenmerken van het bankbiljet. Verder overweegt het hof dat de verdachte “zou moeten weten” van de valsheid. Dat is een formulering die meer past bij culpa dan bij opzet. In het middel wordt niet geklaagd dat het hof bij zijn oordeel is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, maar deze formulering laat ín het midden van welke feitelijke wetenschap van de verdachte het hof is uitgegaan.
2.15
De bewijsmiddelen houden in dat de verdachte bij de servicebalie van een supermarkt een pakje zware shag wilde afrekenen met een biljet van vijftig euro. De caissière gebruikte tot twee keer toe een apparaat om het biljet op echtheid te controleren. Zij riep haar teamleider erbij die eveneens een controle uitvoerde met een apparaat. Die teamleider verklaart op haar beurt meteen te hebben gezien dat het biljet nep was: het watermerk ontbrak, de cijfers waren groter en het biljet voelde anders aan. (Welke cijfers hier worden bedoeld, de waardeaanduiding en/of de serienummers, vermeldt het bewijsmiddel niet.) De agent die het biljet vervolgens in handen kreeg, zag dat het watermerk ontbrak en dat het biljet anders aanvoelde. Hij voerde een test uit met een UV-lamp en zag toen dat er geen watermerken verschenen. Bij een nader technisch onderzoek blijken de reproductietechniek af te wijken en het watermerk en de originele veiligheidsdraad te ontbreken.
2.16
De vraag of de feitenrechter zijn oordeel over het opzet op de valsheid voldoende heeft gemotiveerd, is een aantal keren voorgelegd aan de Hoge Raad..
2.17
In HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1927 bleef de bewezenverklaring in stand die inhield dat een verdachte twee keer vals geld had uitgegeven. In een van die zaken was door het hof relevant geacht dat de verdachte het geld heeft overhandigd en dat de aangever “direct gevoeld heeft dat het vals geld betrof”. In die zaak waren er echter nog andere relevante omstandigheden. De medeverdachte had in de andere zaak bekend vals geld te hebben gebruikt. Het ging verder in beide gevallen om via Marktplaats gekochte goederen, waarbij steeds zowel de verdachte als een medeverdachte aanwezig waren en de verdachte steeds degene was die contact opnam met de verkoper.
2.18
De bewezenverklaring werd wel vernietigd in HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:996. In die zaak hield het bewijs in dat de verdachte bij een marktkraam had betaald met een bankbiljet. Toen de standhouder dit controleerde met een valsgeldpen sloeg de streep blauw uit, wat duidde op valsheid. De erbij geroepen politieagenten zagen en voelden dat het betreffende briefje niet overeenkwam met een echt bankbiljet en vermoedden daarom dat het vals was. Bij nader technisch onderzoek ontbraken een aantal echtheidskenmerken, te weten de juiste reproductietechniek, het originele watermerk en de originele holografische beveiliging. Onder de bewijsmiddelen bevond zich ook een verklaring van de verdachte die onder andere inhield dat dat hij was gevraagd een briefje van vijftig te wisselen, dat hij controleerde of het daadwerkelijk vijftig euro was en toen instemde met de wissel. De Hoge Raad overwoog:
“Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan uit deze omstandigheden niet zonder meer volgen dat de verdachte de valsheid van het biljet moet hebben bemerkt toen hij dat biljet uitgaf bij de oliebollenkraam en dat hij dus (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op die valsheid. De enkele vaststelling van het hof dat de verbalisanten na het zien en bevoelen van het biljet “vermoedden” dat dit vals geld betrof, brengt niet mee dat ook de verdachte een dergelijk vermoeden had moeten hebben. Daarbij bestond de directe aanleiding van de waarnemingen van deze verbalisanten uit de mededeling van de standhouder - die het biljet van de verdachte in ontvangst had genomen en met een hulpmiddel had onderzocht - dat het geld “nep” was.”
2.19
Het derde geval is HR 1 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1349. Net als in het eerste besproken arrest bleef de bewezenverklaring hier in stand. De Hoge Raad deed daarbij de zaak af met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering. Aan de conclusie van AG Aben kan het volgende worden ontleend. [4] De verdachte betaalde bij de supermarkt met drie valse briefjes van vijftig euro. De caissière haalde deze door de gelddetector, die het signaal gaf dat de briefjes vals waren. De caissière weet dit aan de werking van de detector en haalde er een collega bij. Die voelde direct dat de briefjes erg glad aanvoelden, ook het ‘ribbelrandje’, en zag ook dat er geen watermerk op stond. De verdachte bleek nog meer bankbiljetten bij zich te hebben. Daarvan bleken er 97 vals, met allemaal hetzelfde serienummer. In zijn bewijsoverweging hechtte het hof er waarde aan dat de verdachte gewend is veel contant geld bij zich te hebben en daarmee te betalen en dat hij de betreffende briefjes ten minste twee keer in handen heeft gehad.
2.2
Kijkend naar de elementen die in deze drie gevallen relevant zijn geacht voor het bewijs, valt ten eerste op dat in alle zaken betekenis werd gehecht aan de mate waarin het ontbreken van de echtheidskenmerken van het bankbiljet kenbaar moet zijn geweest voor de verdachte. Daarnaast was echter ook steeds sprake van andere belastend of ontlastende omstandigheden. In de eerste zaak waren mede belastend de herhaling van feiten, de rol die de verdachte daarin had gespeeld en de gedeeltelijke bekentenis van de medeverdachte. In de derde zaak mag toch wel als belastende omstandigheid worden aangemerkt dat de verdachte nog 97 andere valse biljetten bij zich had. In de tweede zaak zou als ontlastend kunnen worden gezien dat de verdachte volgens de vaststellingen van het hof een controle had uitgevoerd op het biljet (en toen kennelijk geen aanwijzingen voor valsheid had bemerkt).
2.21
Dat de mate van kenbaarheid van de valsheid een rol kan spelen bij het bewijsoordeel ligt voor de hand. Daarbij geldt dat naarmate een verdachte minder vaak in aanraking komt met een bankbiljet, het ontbreken echtheidskenmerken duidelijker moet zijn om te kunnen vaststellen dat het niet anders kan dan dat de verdachte de valsheid heeft bemerkt. In het normale maatschappelijke (betalings)verkeer is het immers niet gebruikelijk de bankbiljetten die men ontvangt en uitgeeft uitgebreid te bestuderen. Voor ‘professionele’ ontvangers, zoals winkeliers, kan er noodzaak bestaan hier meer aandacht aan te besteden, maar voor anderen is dat niet het geval.
2.22
Als het andere personen dan de verdachte, zonder dat zij gewaarschuwd zijn, meteen opvalt dat echtheidskenmerken ontbreken, dan is dit een indicatie voor de hier bedoelde evidentie. Daarbij valt te denken aan duidelijke visuele afwijkingen en een duidelijk anders aanvoelen van het papier(zoals in de zaak uit 2019). Een contra-indicatie is het daarentegen als de valsheid pas wordt vastgesteld nadat daarvoor detectieapparatuur is gebruikt of als men nadere bestudering nodig heeft (zoals in de zaken uit 2022 en 2024). De ervaringen van een persoon die vooraf is gewezen op de mogelijke valsheid kunnen minder bijdragen aan het bewijs omdat die persoon het bankbiljet altijd met meer aandacht zal waarnemen dan gebruikelijk is (zoals aan de orde was in de zaak uit 2022). Waardeloos zijn dergelijke vaststellingen echter niet zonder meer. Ook dan kan worden vastgesteld dat een vervalsing zo slecht is dat het niet anders kan dan dat dit de verdachte zonder meer had moeten opvallen.
2.23
Bj dit alles is de persoon van de verdachte niet zonder belang. In de zaak uit 2024 droeg volgens het hof aan het bewijs bij dat de verdachte gewend was met contant geld om te gaan en dat dus, zo begrijp ik, mag worden aangenomen dat afwijkingen de verdachte sneller zullen opvallen. In de zaak uit 2022 overwoog de Hoge Raad verder dat het enkele gegeven dat de vermoedelijke valsheid twee verbalisanten opviel, niet meebrengt dat ook de verdachte een dergelijk vermoeden had moeten hebben.
2.24
Wanneer ik het voorgaande betrek op de onderhavige zaak, dan blijkt om te beginnen dat het hof in de bewijsmiddelen en in de bewijsoverwegingen geen andere belastende omstandigheden heeft vastgesteld dan het evidente ontbreken van echtheidskenmerken. Verder is volgens de bewijsmiddelen de eerste verdenking bij de caissière ontstaan door het gebruikt van detectieapparatuur. De teamleider die erbij werd geroepen, zegt meteen te hebben gezien dat het biljet niet echt was, maar zij was enerzijds al gewaarschuwd door de caissière en heeft anderzijds ook nog eens zelf detectieapparatuur gebruikt. Hetzelfde geldt voor de verbalisanten die vervolgens ter plaatse kwamen. Verder laat het hof, zoals gezegd, door de gebruikte formulering in het midden welke kennis het daadwerkelijk bij de verdachte veronderstelt. Ten slotte gaat het hof niet in op de vraag of de valsheid ook evident is voor een persoon die stelt geen ervaring te hebben met de betreffende (euro)bankbiljetten, terwijl het die stelling niet weerlegt.
2.25
Al met al meen ik dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om het oordeel te kunnen dragen dat de verdachte de valsheid van het biljet moet hebben bemerkt toen hij het biljet uitgaf in de supermarkt en dat hij dus voorwaardelijk opzet heeft gehad op die valsheid. Ik meen dan ook dat het hof de bewezenverklaring van het bij de verdachte bestaande opzet onvoldoende heeft gemotiveerd. Het middel slaagt in zoverre.

3.Afronding

3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest maar uitsluitend wat betreft het in de zaak met parketnummer 09-080935-21 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130 en HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:723, rov. 2.3.
2.Dit was anders in HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571, zie ook de bijbehorende conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2014:1616, randnrs. 3.7 en 3.8.
3.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:996, rov. 2.3.2.
4.ECLI:NL:PHR:2024:583. Het cassatieberoep richtte zich tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:3005.