ECLI:NL:HR:2024:1411

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
23/00503
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:21 SvArt. 22d SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
14 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt maximale duur vervangende hechtenis bij omzetting voorwaardelijke gevangenisstraf in taakstraf

In deze zaak stond de omzetting van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in een taakstraf centraal, waarbij het hof een vervangende hechtenis van meer dan vier maanden had opgelegd, wat in strijd is met artikel 22d lid 3 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 6:6:21 lid 2 Sv Pro, dat de omzetting regelt, verbeterd moet worden gelezen zodat de maximale duur van vervangende hechtenis vier maanden bedraagt en voor elke twee uren taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis mag worden opgelegd.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor wat betreft de duur van de vervangende hechtenis en bepaalde dat deze vijftig dagen bedraagt. Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat in toekomstige gevallen waarin deze regels worden miskend, het hof zelf deze kennelijke misslag kan herstellen, wat de voorkeur verdient boven cassatieberoep.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden door het late aanleveren van stukken, maar zonder verdere rechtsgevolgen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 22 oktober 2024.

Uitkomst: De vervangende hechtenis bij omzetting van de voorwaardelijke gevangenisstraf in taakstraf wordt vastgesteld op vijftig dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00503
Datum22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 januari 2023, nummer 22-001919-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis die is bevolen bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf, tot het bevel dat de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 09-817162-19 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de omzetting daarvan in een taakstraf. Het klaagt dat in strijd met artikel 22d lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor elke twee uren van de taakstraf meer dan één dag vervangende hechtenis is opgelegd en dat de duur van de vervangende hechtenis meer dan vier maanden beloopt.
2.2
Het hof heeft over de vordering tot tenuitvoerlegging beslist:
“Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 met parketnummer 09-817162-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen waarvan na eerdere gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren, een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 6:6:21 leden Pro 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
2. In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
- Artikel 22d Sr:
“1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
2.4.1
Op grond van artikel 6:6:21 lid 2 Sv Pro kan de rechter een taakstraf gelasten in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. Op de gronden vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.3 tot en met 2.10 berust het op een kennelijke misslag van de wetgever dat in deze bepaling artikel 22d lid 3 Sr niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel 6:6:21 lid 2 Sv Pro moet daarom verbeterd worden gelezen. Dat brengt mee dat bij de omzetting van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf, de vervangende hechtenis, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, ten hoogste vier maanden beloopt en dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis wordt opgelegd.
2.4.2
Hieruit volgt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf bepalen dat in de zaak met parketnummer 09-817162-19 de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt.
2.5
Opmerking verdient nog dat in toekomstige gevallen, waarin bij de beslissing over de duur van de vervangende hechtenis het vorenstaande wordt miskend, sprake is van een kennelijke misslag die zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat dan immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze manier van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige manier ondubbelzinnig duidelijkheid ontstaat over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 09-817162-19 bevolen tenuitvoerlegging van een taakstraf;
- beveelt dat de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 oktober 2024.