ECLI:NL:HR:2024:1415

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
23/01745
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 359.5 SvArt. 359.6 SvArt. 359.8 SvArt. 327a Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken motivering strafoplegging bij verduistering auto

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week wegens verduistering van een auto. Het hof motiveerde de strafoplegging door te verwijzen naar een mondelinge motivering tijdens de terechtzitting, die in het proces-verbaal zou worden opgenomen. Echter, in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep werd deze motivering niet weergegeven en bleek er geen afzonderlijk proces-verbaal te zijn opgemaakt.

De raadsman van de verdachte verzocht om toezending van dit proces-verbaal, maar het hof bevestigde dat dit niet bestond. De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee niet voldeed aan de vereisten van artikel 359 lid 6 en Pro lid 5 van het Wetboek van Strafvordering, die voorschrijven dat in het arrest de redenen voor de strafoplegging duidelijk moeten worden vermeld zonder verwijzing naar een niet-bestaand proces-verbaal.

Dit gebrek aan motivering leidt tot nietigheid van de strafoplegging conform artikel 359 lid 8 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing omtrent de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van motivering van de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01745
Datum5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 april 2023, nummer 21-001358-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesević, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in zijn uitspraak niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte wegens verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2023 uitspraak gedaan in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, mr. D. Bektesevic.
De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. Deze motivering wordt opgenomen in het eventueel op te maken proces-verbaal van de zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”
2.2.2
Het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 gedeeltelijk weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt geen weergave in van de mondelinge strafmotivering.
2.2.3
De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van een eventueel afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal van de terechtzitting waarop in hoger beroep uitspraak is gedaan. Daarnaar gevraagd heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n afzonderlijk proces-verbaal niet is opgemaakt.
2.3
De hiervoor onder 2.2.1 weergegeven overwegingen bevatten geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat is in strijd met artikel 359 lid 6 Sv Pro. Dat verzuim leidt op grond van artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
2.5
Opmerking verdient dat het hof, door in zijn arrest voor de strafmotivering te verwijzen naar het eventueel op te maken proces-verbaal van de terechtzitting ook niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 359 lid 5 Sv Pro dat het arrest de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Dat die redenen in het arrest worden opgenomen, zonder daarbij een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting te hanteren, is van belang omdat, gelet op de regeling van artikel 327a Sv, op het moment dat het arrest wordt gewezen een (volledig) proces-verbaal van de terechtzitting (nog) niet beschikbaar hoeft te zijn. (Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:232.)

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2024.