ECLI:NL:PHR:2024:800

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
30 juli 2024
Zaaknummer
23/01745
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 415 SvArt. 434 SvArt. 327a SvArt. 359 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onvoldoende strafmotivering bij oplegging vrijheidsbenemende straf

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week wegens verduistering. De raadsman van de verdachte stelde cassatiemiddel in dat het hof niet in het bijzonder de redenen voor de oplegging van de vrijheidsbenemende straf heeft gemotiveerd.

Het hof verwees in het arrest voor de strafmotivering naar het proces-verbaal van de terechtzitting, maar dat proces-verbaal bevatte geen strafmotivering. Volgens de procureur-generaal voldoet deze constructie niet aan de wettelijke eisen van artikel 359 lid 5 Sv Pro, dat vereist dat het arrest zelf de volledige strafmotivering bevat.

De Hoge Raad heeft in eerdere arresten verduidelijkt dat een algemene overweging over de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden onvoldoende is voor de motivering van een vrijheidsbenemende straf. Het arrest moet expliciet de redenen bevatten die tot de keuze van de strafsoort hebben geleid.

In deze zaak ontbreekt een bijzondere motivering, waardoor het verzuim leidt tot nietigheid van het arrest voor wat betreft de strafoplegging. De conclusie van de procureur-generaal is daarom dat het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof voor een nieuwe strafoplegging, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor nieuwe strafoplegging wegens onvoldoende strafmotivering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01745

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 19 april 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof in zijn arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf.
4. Het hof heeft in zijn arrest onder het kopje “Oplegging van straf” het volgende overwogen:
“Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2023 uitspraak gedaan in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, mr. D. Bektesevic.
De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. Deze motivering wordt opgenomen in het eventueel op te maken proces-verbaal van de zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”
5. In het (enige) proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 april 2023 dat zich bij de stukken in cassatie bevindt, is vervolgens geen strafmotivering opgenomen. Dit proces-verbaal eindigt als volgt:
“De
voorzitterverklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van
het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.”
6. De raadsman van de verdachte heeft de Hoge Raad voorafgaand aan de ingediende schriftuur verzocht “zekerheidshalve de stukken aan te vullen met een (eventueel) opgemaakt proces-verbaal van de terechtzitting waarop uitspraak is gedaan, nu in sommige zaken een apart proces-verbaal wordt opgemaakt van – kort gezegd – het uitspreken van het arrest”. Na telefonische navraag bij het hof heeft de griffier van de Hoge Raad de raadsman op 7 februari 2024 laten weten dat het opgevraagde stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad is toegestuurd. Verdere navraag bij het hof heeft uitgewezen dat in deze zaak geen proces-verbaal van de uitspraak is opgemaakt, aangezien het op dezelfde dag van de terechtzitting is uitgesproken. [1]
7. Allereerst merk ik op dat de door het hof gehanteerde constructie, waarin in het verkorte arrest voor de nadere strafmotivering wordt verwezen naar een later op te maken proces-verbaal, wettelijk gezien niet voldoet. Op grond van art. 359 lid 5 Sv Pro jo. art. 415 lid 1 Sv Pro moet immers het arrest zelf de (volledige) strafmotivering bevatten. Mijn voormalig ambtgenoot Knigge heeft er al in 2017 op gewezen dat een verkort arrest waarin voor de strafoplegging mede wordt verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting niet voldoet aan de eisen die de wet aan een (al dan niet verkort) vonnis stelt en dat die eisen voorkomen dat de strafmotivering een zoekplaatje wordt. [2] In de zaak waarin Knigge op dit door hem gesignaleerde motiveringsgebrek wees, was daarover evenwel niet geklaagd en de Hoge Raad is vervolgens niet ingegaan op de uitnodiging van Knigge om de zaak aan te grijpen ‘om te verduidelijken wat in casu rechtens is’. [3] Die verduidelijking is er eerder dit jaar alsnog gekomen. Mijn ambtgenoot Harteveld wees er in een vergelijkbare zaak op dat de klacht dat het bestreden arrest ten onrechte niet de redenen inhoudt die in het bijzonder de straf hebben bepaald, terecht was voorgesteld, maar dat de verdachte in die zaak onvoldoende belang bij cassatie had omdat wel een strafmotivering in het proces-verbaal van de terechtzitting was opgenomen en het hof na terugwijzing die motivering naar het verkorte arrest kon verplaatsen. [4] De Hoge Raad oordeelde op 13 februari 2024 als volgt:
“2.4.1 Het hof heeft in zijn arrest volstaan met de enkele vermelding dat de in het proces-verbaal van de terechtzitting opgenomen motivering van de strafoplegging “als hier herhaald en ingelast” wordt beschouwd. Het cassatiemiddel klaagt terecht dat het hof daarmee niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 359 lid 5 Sv Pro dat het arrest de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Dat die redenen in het arrest worden opgenomen, zonder daarbij een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting te hanteren, is van belang omdat, gelet op de regeling van artikel 327a Sv, op het moment dat het arrest wordt gewezen een (volledig) proces-verbaal van de terechtzitting (nog) niet beschikbaar hoeft te zijn.
2.4.2
In deze zaak ontbreekt echter voldoende belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak, omdat voor de verdachte de redenen voor de strafoplegging wel kenbaar zijn (geworden) uit het opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting en namens de verdachte geen klacht is aangevoerd tegen de inhoud van deze strafmotivering.” [5]
8. In de nu voorliggende zaak bevat het proces-verbaal van de terechtzitting geen strafmotivering. In dit geval kan de strafmotivering met toepassing van een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting dus niet worden ‘gered’ met een redenering dat de verdachte onvoldoende belang bij cassatie heeft.
9. Daarmee resteert de vraag of de strafmotivering die in het verkorte arrest zelf is opgenomen – maar die alleen inhoudt dat de strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – toereikend is bij het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
10. Art. 359 lid 6 eerste Pro volzin Sv vermeldt daarover:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”
11. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt dit vereiste zo ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [6] Het gaat daarbij alleen om onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, zoals in de voorliggende zaak, omdat de verdachte bij een voorwaardelijke vrijheidsstraf zelf in de hand heeft of vrijheidsbeneming volgt. [7]
12. In de schriftuur wordt terecht gewezen op twee arresten van de Hoge Raad waaruit volgt dat een algemene overweging over “de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte” onvoldoende is voor de motivering van de oplegging van een vrijheidsbenemende straf. Het eerste arrest houdt daarover in:
“2.2 Het hof heeft de verdachte wegens overtreding van artikel 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte.”
2.3
Deze overweging bevat geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat is in strijd met het zesde lid van artikel 359 Sv Pro. Dat verzuim leidt op grond van artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).” [8]
13. Uit het tweede arrest volgt dat ook het daarnaast opnemen van de zin “zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken” dat niet anders maakt:
“2.2 Het hof heeft de verdachte wegens het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, telkens opleverend “niet naleving van het bepaalde bij artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000”, veroordeeld tot telkens hechtenis van één week. Het hof heeft deze strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”
2.3
Deze overweging bevat geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat is in strijd met het zesde lid van artikel 359 Sv Pro. Dat verzuim leidt op grond van artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).” [9]
14. In de voorliggende zaak ontbreekt een bijzondere motivering van de vrijheidsbenemende straf. Gelet op de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad leidt dit verzuim op grond van art. 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid, zodat de zaak wat betreft de strafoplegging moet worden teruggewezen naar het hof.

Slotsom

15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit is ook in lijn met eerdere zaken waarin in het (verkorte) arrest voor de strafmotivering naar het proces-verbaal is verwezen en het hof die strafmotivering in het proces-verbaal van de terechtzitting had opgenomen en niet in een afzonderlijk proces-verbaal van de uitspraak. Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge van 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1385, onder 3.2 en HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:232, onder 2.2.2.
2.Conclusie van 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1385, onder 3.12.
3.Zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3214 (HR: art. 81 lid 1 RO Pro).
4.Conclusie van 19 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1158, onder 3.8-3.13.
5.HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:232.
6.HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, r.o. 4.3.3.
7.Schoep, in:
8.HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:166.
9.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:943.