ECLI:NL:HR:2024:1473

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
23/03793
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 220 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Rechtbank over onroerendezaakbelasting 2022 gemeente Schiedam

Belanghebbende, een B.V., maakte beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake een opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2022 door de gemeente Schiedam.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de motivering te geven, omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 18 oktober 2024. Hiermee blijft de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022 onverminderd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03793
Datum18 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2023, nr. ROT 22/5595 [1] , betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Schiedam voor het jaar 2022.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 19 juli 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [3]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2024:778, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:787.
3.Vgl. HR 18 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1354.