Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw over de gemeenschap van goederen en de gevolgen van opzettelijke verzwijging van tot de gemeenschap behorende goederen. De man had cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Den Haag, waarin werd geoordeeld dat zijn aandeel in de gemeenschap kon worden verbeurd wegens opzettelijke verzwijging.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten voor de feitelijke gang van zaken en heeft de klachten van de man tegen het hof beoordeeld. De klachten konden niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt de man in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak is gedaan door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.