Conclusie
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
RENTEArtikel 1
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De terugbetaling van de schuld
opzettelijkeverzwijging en stelt het voorop dat niet voldoende is dat een deelgenoot behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. Dat het hof niet met zoveel woorden overweegt dat aan het bewijs van het in art. 3:194 lid 2 BW Pro bedoelde opzet hoge eisen moeten worden gesteld, [15] is onvoldoende grond om aan te nemen dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. In dat verband wijs ik erop dat volgens de rechtspraak van uw Raad oogmerk om de rechten van de deelgenoten of schuldeisers te verkorten, niet is vereist; voor opzet volstaat wetenschap dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. [16] De eerder bedoelde hoge eisen die aan het bewijs van de opzet tot verzwijging moeten worden gesteld, staan dus niet in verband met een ter bescherming van de verzwijgende deelgenoot aanvaarde ‘versmalling’ van opzet tot gevallen van oogmerk. Die hoge eisen zijn, zo begrijp ik, eenvoudig dezelfde eisen als steeds gelden waar het recht een rechtsgevolg niet, zoals meestal, verbindt aan een weten
of behoren te weten, maar in plaats daarvan aan opzet, wat naar zijn aard een (positief) weten veronderstelt.
22. Dat [de broer] de lening en de (ontbonden) schenkingen (…) heeft verzwegen en niet simpelweg is vergeten is hoogst aannemelijk. Aanwijzingen daarvoor zijn: het gaat om (zeker in 1995) een aanzienlijk bedrag, (…) [de broer] wist dat zijn zuster als mede erfgenaam recht op de helfte van de waarde van de onderneming, het bedrijfspand en de grond had. (…).
24. Tevens heeft [de broer] zelfs na het opzeggen van het hypotheekrecht geweigerd openheid van zaken te geven over deze lening terwijl hij gezien de verklaring die de notaris namens hem opstelde voorwendde dat hij de lening afloste. Dat [de broer] volhardde in zijn stelling ook na verloop van de door hem zelf opgenomen termijn van 1 maand maakt het aannemelijk dat [de broer] de geldlening en de ontbonden schenkingen opzettelijk verzweeg. (…)
28. Stichting Alwara verdeelde de nalatenschap van erflaatster met instemming van beide erfgenamen (…). De genoemde vorderingen van de nalatenschap op [de broer] zijn echter nog niet verdeeld nu Stichting Alwara noch [de zus] weet hadden van de vorderingen. De vorderingen de nalatenschap op [de broer] heeft dienen alsnog te worden verdeeld.’
bewijsvan opzettelijke verzwijging volgt, maar of, zoals het hof heeft aangenomen, van [de broer] naar aanleiding van die feiten en omstandigheden een nadere betwisting van de stelling van [de zus] kon worden verlangd (vergelijk art. 149 lid 1 tweede Pro volzin Rv). Naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof is dat het geval. Voor het hof heeft klaarblijkelijk zwaar gewogen dat [de broer] , nadat hij vanwege de noodzakelijke medewerking van [de zus] aan de doorhaling van het hypotheekrecht haar voor het eerst van het bestaan van de lening op de hoogte had gebracht, geen enkele poging heeft gedaan om haar van bewijsstukken te voorzien, niettegenstaande zijn toezegging om die stukken binnen een maand te verschaffen. Die handelwijze wijst volgens het kennelijke oordeel van het hof in samenhang met de overige in rechtsoverweging 2.20 vermelde feiten en omstandigheden in een zodanige mate op opzet tot verzwijging, dat van [de broer] een behoorlijke motivering mocht worden verwacht, die door hem echter niet is gegeven. De begrijpelijkheid van dit oordeel wordt door het middel onvoldoende bestreden. Uiteraard is niet overtuigend dat [de broer] (steeds) heeft gesteld dat de lening was afgelost. Dat is geen begrijpelijke uitleg voor het niet-naleven van de toezegging van [de broer] om [de zus] binnen één maand van bewijsstukken te voorzien waaruit de aflossing blijkt.