ECLI:NL:HR:2024:1507

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
22/01537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350.1 SrArt. 51g lid 1 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernieling van politie-eigendommen en ontvankelijkheid benadeelde partij in schadevordering

De verdachte werd veroordeeld voor vernieling van zaken die toebehoren aan de Nationale Politie, Eenheid Limburg, gepleegd op 3 mei 2019. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch wees de schadevordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van €1.500 en legde een gelijke schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op.

In cassatie klaagde de verdachte over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering, met name over de bevoegdheid van de gemachtigde om de benadeelde partij in de strafzaak te vertegenwoordigen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de volmacht van de gemachtigde juist heeft uitgelegd en dat de benadeelde partij terecht ontvankelijk is verklaard.

De Hoge Raad stelde tevens vast dat de verdachte onvoldoende belang had bij de klacht over de toegewezen schade, aangezien de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en feit onverminderd van kracht blijft. Verder werd de overschrijding van de redelijke termijn erkend, maar zonder verdere rechtsgevolgen gezien de opgelegde geldboete van €500.

Het cassatieberoep werd verworpen en de beslissing van het hof bevestigd.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel van €1.500 aan politie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01537
Datum22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 april 2022, nummer 20-002552-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat [benadeelde] op grond van de hem verstrekte volmacht bevoegd is de benadeelde partij te vertegenwoordigen in de strafzaak.
2.2
De verdachte is veroordeeld voor, kort gezegd, vernieling op 3 mei 2019 van zaken die toebehoren aan de Nationale Politie, Eenheid Limburg. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Limburg toegewezen tot een bedrag van € 1.500 en het heeft voor een gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
2.3
De verdachte heeft onvoldoende belang bij de klacht over de beslissing van het hof met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde schade. Het cassatiemiddel klaagt niet over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de toegewezen vordering van de benadeelde partij. Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde schade zou er immers toe leiden dat de verplichting voor de verdachte tot betaling van de voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand blijft. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat de klacht zich niet keert tegen de materiële verschuldigdheid van de schade (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932, rechtsoverweging 2.4).
2.4
Het cassatiemiddel faalt.
2.5
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 merkt de Hoge Raad het volgende op over de klacht van het cassatiemiddel.
2.6.1
Het ontvankelijkheidsverweer en de beoordeling daarvan door het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 en 8.
2.6.2
Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij zich in eerste aanleg heeft gevoegd op de manier zoals bedoeld in artikel 51g lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de daartoe bij het “Verzoek tot schadevergoeding” gevoegde “machtiging” van [benadeelde] – waarin onder meer is vermeld dat [benadeelde] bevoegd is als gemachtigde op te treden “in zowel civielrechtelijke als bestuursrechtelijke procedures voor (...) de Rechtbanken [en] de Gerechtshoven” – ook ziet op deze voeging. Deze aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de door de benadeelde partij aan [benadeelde] verleende volmacht – die erop neerkomt dat de benadeelde partij met het verlenen van deze volmacht aan [benadeelde] ook heeft beoogd zich ter zake van haar civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding door [benadeelde] te laten vertegenwoordigen in deze strafzaak – is niet onbegrijpelijk.
2.6.3
Opmerking verdient nog dat de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat in gevallen waarin ten aanzien van de opgave als bedoeld in artikel 51g lid 1 Sv onvoldoende duidelijk is of de gemachtigde mag optreden namens de benadeelde partij, de vordering van de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan nadat de benadeelde partij door het openbaar ministerie dan wel door de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. (Vgl. HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1719, rechtsoverweging 2.5.)

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 oktober 2024.