ECLI:NL:HR:2024:1531

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
22/02080
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 322 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in verduisteringszaak

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake meermalige verduistering in dienstbetrekking. De verdachte werd door het hof veroordeeld, waarbij ook een gevangenisstraf werd opgelegd. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld, terwijl de benadeelde partijen zich verweerden.

De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het hofarrest, maar alleen wat betreft de strafmaat, met vermindering van de gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden, zodat geen nadere motivering nodig was.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf met drie jaar.

Het arrest van de Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze tot twee jaar en elf maanden, en verwerpt het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Buruma en Kuijer op 5 november 2024.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02080
Datum5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juni 2022, nummer 23-001516-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Rombouts, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. hebben Y. Ameziane, advocaat in Eindhoven, D. Herfst, advocaat in Rotterdam, en G.R.G. Driessen, advocaat in Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2024.