Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor verkrachting, zoals omschreven in artikel 242 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. De rechtbank sprak de verdachte vrij, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch dit vonnis bevestigde. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar was en dat het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (unus testis-regel), niet was gehaald. Het hof had echter geoordeeld dat de verklaring van de aangeefster voldoende werd ondersteund door WhatsApp-berichten van de verdachte aan een getuige, waardoor het bewijsminimum niet werd geschonden.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie verworpen. De Raad oordeelde dat het hof het verweer van de verdediging niet onbegrijpelijk had beoordeeld en dat het oordeel over de steun in het bewijs niet onbegrijpelijk was. De conclusie van de advocaat-generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd, waarmee de vrijspraak in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van de verdachte wegens onvoldoende bewijs voor verkrachting.