ECLI:NL:PHR:2024:941

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
23/03737
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 285b SrArt. 342 lid 2 SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens verkrachting ondanks bewijsverweer

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens verkrachting en belaging. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof oordeelde anders op basis van verklaringen van het slachtoffer en ondersteunend bewijs in WhatsApp-berichten.

In cassatie stelde de verdediging dat het hof ten onrechte was afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van het slachtoffer en dat het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro niet was gehaald. De verdediging voerde onder meer aan dat het gedrag van het slachtoffer na het incident niet strookte met een verkrachting en dat de WhatsApp-berichten verkeerd waren geïnterpreteerd.

De Procureur-Generaal concludeerde dat het hof de verklaringen en het bewijs op juiste wijze had gewogen. Het hof had de WhatsApp-berichten terecht geïnterpreteerd als een bekentenis van de verdachte dat hij handelingen tegen de wil van het slachtoffer had verricht. Het hof was niet gehouden om nader te motiveren waarom het niet was afgeweken van het bewijsverweer over de betrouwbaarheid van het slachtoffer, aangezien dit niet als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt was gepresenteerd.

De Hoge Raad zag geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee blijft de veroordeling voor verkrachting en belaging in stand.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens verkrachting en belaging op basis van voldoende bewijs.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03737
Zitting24 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 september 2023 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens het tenlastegelegde onder 1 “verkrachting” en onder 2 “belaging” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest en waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden. Het hof heeft verder de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.L.A. Klaassen, advocaat in Vught, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Beide middelen richten zich tegen de door het hof onder 1 bewezen verklaarde verkrachting, waarvan de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank werd vrijgesproken. Het eerste middel houdt in dat het hof zonder motivering is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat er sprake is van voldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster. Voordat ik de middelen inhoudelijk bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en de (promis)bewijsoverweging van het hof weer.

2.Bewezenverklaring en bewijsoverweging

2.1
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 18 april 2021 tot en met 19 april 2021 te [plaats], door geweld of een andere feitelijkheid, te weten slaan in/tegen het gezicht en/of op het hoofd van [slachtoffer] en aan het haar van die [slachtoffer] trekken en voorbij gaan aan tekenen van onwil en/of verzet van die [slachtoffer], [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen en/of duwen van zijn penis in de mond/keel van die [slachtoffer];”
2.2
Het hof heeft deze bewezenverklaring in zijn (promis)bewijsoverweging als volgt gemotiveerd (de voetnoten heb ik weggelaten):

Feit 1: verkrachting
Relaas
In de onderhavige zaak was aangeefster [slachtoffer] sinds maart 2020 werkzaam als begeleidster in de instelling waar de verdachte sinds juni 2020 verbleef. De verdachte was alcoholverslaafd, gediagnostiseerd met borderline en werd volgens aangeefster behandeld voor zijn seksverslaving en zijn extreme manier van denken over bepaalde seksuele handelingen. Ze brachten veel tijd met elkaar door in de instelling. De verdachte was al enige tijd verliefd op [slachtoffer]. Hij had haar te kennen gegeven dat hij graag een (seks)relatie met haar wilde, maar aangeefster hield dat af.
Toen haar dienstverband bij de instelling eindigde, heeft zij uit eigen beweging met haar privénummer telefonisch contact opgenomen met de verdachte en een afspraak met hem gemaakt. Vervolgens hebben zij op intieme wijze samen een lang weekend doorgebracht in de woning van aangeefster. In dit weekend was er tussen beiden onder invloed van drank en drugs aanvankelijk vrijwillige seks. Dit vond plaats in de periode van donderdag 15 april 2021 tot en met maandag 19 april 2021. Hoewel aangeefster op maandag 19 april 2021 aan de verdachte te kennen gaf dat er in het weekend dingen waren gebeurd waar zij erg verdrietig en boos over was, hebben zij in de dagen die volgden veelvuldig contact gehouden door elkaar WhatsApp-berichten te sturen en met elkaar te bellen en videobellen. Ook hebben zij op 24 april 2021 nog een keer bij aangeefster thuis afgesproken. De verdachte wilde graag langskomen voor een goed gesprek en aangeefster is hierop ingegaan. Zij heeft zelf voorgesteld dat dit op 24 april 2021 in de avond kon plaatsvinden. Hij is die avond naar haar toe gegaan en zij heeft hem toen ook binnengelaten in haar woning. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij met de verdachte toen een goed gesprek heeft gehad.
Op dinsdag 11 mei 2021 heeft het slachtoffer een informatief gesprek gehad met de politie. [slachtoffer] gaf in dit gesprek aan dat ze verkracht was door de verdachte. Dit heeft plaats gevonden in de periode van zondag 18 april 2021 omstreeks 19:00 uur tot en met maandag 19 april 2021 omstreeks 14:00 uur. [slachtoffer] heeft verklaard onder dwang, doormiddel van fysiek geweld, tegen haar wil seksueel contact te hebben gehad met de verdachte. Daarbij is de verdachte volgens aangeefster met zijn penis zowel oraal als vaginaal en anaal binnengedrongen.
Op dinsdag 6 juli 2021 werd door [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting. In de aangifte geeft [slachtoffer] aan dat op zondag 18 april 2021, nadat er bij de supermarkt door de verdachte wodka was gehaald en vervolgens was gedronken, zij op de bank in het gezicht is geslagen en bij de keel is gepakt, dat de verdachte zijn penis in haar mond probeerde te duwen terwijl zij dat niet wilde en hij haar handen vast hield boven haar hoofd. De verdachte zou haar daarna in keuken, toen ze onder de afzuigkap aan het roken waren, aan haar haren hebben getrokken, hebben geslagen en zijn penis diep in haar mond hebben gestoken zodat zij moest kokhalzen. Het slachtoffer huilde en gaf aan dat ze het niet wilde.
De verdachte heeft haar na enige tijd weer bij haar keel gepakt en tegen de deur omhoog geduwd. Aangeefster heeft continu gehuild en gezegd dat hij moest stoppen. Vervolgens hield het op en is aangeefster gaan slapen. Ze heeft de verdachte niet uit huis gezet om gedoe/drama te voorkomen in de straat. Ze werd op een gegeven moment wakker omdat de verdachte met zijn penis in haar vagina zat. Vervolgens is ze ook anaal gepenetreerd met zijn penis. Ook hierbij heeft ze gezegd dat hij moest stoppen, dat ze dit niet wilde, maar hij kneep haar keel dicht waardoor ze zich “overgegeven” heeft.
Op dinsdag 28 september 2021 werd [getuige 1], de pleegmoeder van de zoon van de verdachte, als getuige gehoord. Zij heeft contact gehad met de verdachte over het incident. Tijdens het verhoor met [getuige 1] zijn foto’s gemaakt van het WhatsApp-gesprek tussen [getuige 1] en [verdachte], welke hij daags na het betreffende weekend heeft gevoerd, hetgeen in een proces-verbaal met bijlage is opgenomen. Uit dit WhatsApp-gesprek komt naar voren dat de verdachte bevestigt dat hij nadat hij wodka had gedronken zijn penis diep in de mond van aangeefster heeft geduwd en haar in het gezicht heeft geslagen. De verdachte weet echter niet meer of aangeefster heeft gezegd dat hij moest stoppen.
Op maandag 27 september 2021 werd de verdachte ter zake de feiten waarvan hij werd verdacht gehoord. Hij verklaarde ter zake van het betreffende weekend dat hij meerdere malen vrijwillig seks heeft gehad met het slachtoffer.
Juridisch
Het hof ziet zich op grond van de voorgaande feiten voor de vraag gesteld of in de onderhavig zaak aan de hand van bewijsmiddelen, houdende redengevende feiten en omstandigheden, het wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer]. Daartoe wijst het hof op het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de feitenrechter is voorbehouden om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal (vgI. o.a. HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498).
De tenlastelegging van feit 1 is toegesneden op artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht en daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging voorkomende woorden ‘door geweld of een andere feitelijkheid (...) heeft gedwongen’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het begrip ‘geweld’ wordt ruim uitgelegd waarbij de intensiteit en de gerichtheid van het geweld zodanig dient te zijn dat het slachtoffer wordt gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Ook het begrip ‘feitelijkheid’ wordt ruim uitgelegd waarbij gedacht kan worden aan het door de verdachte onder andere het aanwenden van gezag of overwicht, het uitoefenen van een zodanige psychische druk of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie brengen, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen de betreffende handelingen van de verdachte heeft kunnen verzetten.
Vooropgesteld moet worden dat de grens tussen ’geweld’ en ‘een andere feitelijkheid’, in de zin van artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht, niet steeds scherp zal kunnen worden getrokken, zodat die afgrenzing in voorkomende gevallen mede zal afhangen van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.
Ten slotte dient er in de zin van artikel 242 van Pro het Wetboek van Strafrecht sprake te zijn van ‘dwingen’ in die zin dat het geweld en/of de andere feitelijkheden voor degene die eraan blootstaat, leidt tot het ondergaan van wat zij of hij zonder dat geweld of die feitelijkheden niet zou hebben laten gebeuren. Van ‘dwingen’ kan ook sprake zijn als het slachtoffer zich door het onverhoedse (in betekenis van onverwachte) van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten of in het geval dat nadat de seksuele handelingen aanvankelijk zonder dwang zijn aangevangen, het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid wordt gedwongen tot voortzetting daarvan. Ten slotte is slechts aan ‘dwingen’ voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte – dat in ‘dwingen’ besloten ligt – mede omvat dat de verdachte het slachtoffer handelingen, die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil. Of die dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval (vgl. o.a. HR 3 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC9311/NJ 1999, 125; HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494; HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842 en HR 14juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865).
In de onderhavige strafzaak komt het hof op grond van de verklaring van aangeefster, de verklaring van de [getuige 1] en het proces-verbaal van bevindingen met als bijlage de foto’s van de WhatsApp-berichten tussen [getuige 1] en de verdachte tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde (verkrachting).
In beginsel staan de verklaringen van aangeefster en die van de verdachte voor zover het gaat om de ‘vrijwilligheid’ van de seks, haaks op elkaar. Daarbij geldt dat volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLINL:HR:2010:BM2452; HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946 en HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152).
De uitleg van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek Van Strafvordering betekent dat steunbewijs niet specifiek betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen (vgl. o.a. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Het is voldoende wanneer de verklaring van de getuige (aangeefster/-gever) op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarbij komt dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan (vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094/NJ 2010, 512).
Op grond van de opmerkingen die de verdachte heeft gemaakt in de WhatsApp-berichten, zoals vastgelegd in de foto’s als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 28 september 2021, concludeert het hof dat de verdachte wel degelijk wist dat hij in het weekend dat hij met aangeefster doorbracht en op een gegeven moment onder invloed van wodka was, zijn penis tegen haar wil diep in haar mond heeft geduwd en haar in het gezicht heeft geslagen. In deze berichtgeving geeft de verdachte volgens het hof aan aangeefster gedwongen te hebben tot orale seks waarbij hij door geweld of een andere feitelijkheid het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en bevestigt daarmee deels hetgeen aangeefster in haar aangifte heeft verklaard.
Het hof wijst hierbij met name op de navolgende passages uit het chatgesprek tussen de verdachte en [getuige 1].
(A = [getuige 1], E =verdachte)
A: Wat heb je dan toch gezegd tegen [slachtoffer]?
E: Hoe bedoel je gezegd
E: Gedaan bedoel je
A: Nou omdat je haar zo vernederd hebt En ze zo boos is
E: Nou dat wat ik altijd doe tijdens de sex alleen nu had ik vodka op.. dus is het echt erg geweest schijnbaar
(...)
A: Maar ze had het afkunnen kappen toch
E: Nou dat wou ze dus
A: Ze laat het dan gebeuren of word jij dan een psychopaat die niet te stoppen idis )(?)
E: Maar
E: ik had dus vodka op (schamend aapje)
A: Heb je tegen haar wil in sex gehad?
E: Nou wel dingen gedaan ik duwde zo diep en zei tegen haar kots dan sloeg haar in haar gezicht en zo echt vernederd
Het hof kan de passages “maar ze had het kunnen afkappen toch” en “Nou dat wou ze dus” daarbij niet anders lezen dan dat de verdachte wist dat hij handelingen verrichtte die aangeefster niet wilde.
Dat de verdachte aan deze berichten een andere uitleg geeft, namelijk dat hij aan [getuige 1] schrijft wat aangeefster heeft gezegd en niet dat hij schrijft wat hij heeft gedaan, doet daar niet aan af.
Hiermee komt het hof tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen ‘het brengen en/of duwen van zijn penis in de mond/keel’. Voor de overige ten laste gelegde handelingen kan het hof aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs ontlenen dat deze handelingen gedurende de bewezenverklaarde periode onder dwang hebben plaatsgevonden, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring en bevat – gelezen in samenhang met de toelichting – de klacht dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van de aangeefster.
3.2
De raadsman van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overlegde pleitnota. Het gedeelte van de pleitnota waar de steller van het middel het oog op heeft, houdt het volgende in:
“Daarenboven, voor een bewezenverklaring dient uw Hof ook, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, de
overtuigingte hebben bekomen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
De verdediging is van oordeel dat door uw Hof, na kennisneming van het voorliggende proces-verbaal, absoluut niet wettig, laat staan overtuigend bewezen kan worden verklaard, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.
Volgens de verdediging kan uw rechtbank [ik begrijp: hof, AG TS] echt niet tot de overtuiging geraken dat verdachte de voor verkrachting vereiste mate van dwang heeft uitgeoefend. In zaken als de onderhavige is niet zelden sprake van de ene verklaring tegenover de andere. Doorslaggevend is dan niet de enkele vraag aan welke verklaring uw rechtbank het meeste geloof hecht.
Juist ook in het kader van de overtuiging dient uw hof uw ogen niet ervoor te sluiten, dat met name het gedrag van aangeefster zelf in de weken na de vermeende “verkrachting” absoluut niet is te rijmen zijn met die pretense verkrachting.
Er zijn in deze strafzaak feiten en omstandigheden “te over” die - op zijn zachtst gezegd - ernstig doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte.
Hoe geloofwaardig is aangeefsterdie niet ogenblikkelijk naar de politie stapt, maar vervolgens wel gedurende ruim 2 weken – vrijwel dagelijks – met de pretense “
verkrachter” gaat video-bellen en appen over allerhande onderwerpen: nagels zetten, een nieuw zitbankje, de nieuwe pup van aangeefsters ouders, het rijlen en zijlen op haar nieuwe werk (de TBS-kliniek), smeuige uitlatingen zijdens aangeefster in dat kader over een pedofiel in die kliniek, beslommeringen aangaande meergenoemde [getuige 2], die nota bene juist volgens aangeefster aan de GHB zit etc. etc?
Toch geen gespreksonderwerpen die een vermeend slachtoffer van verkrachting aansnijdt, dunkt mij!
Hoe geloofwaardig is aangeefster, die tijdens de dagenlange seks nagenoeg continu onder invloed van alcohol en Speed verkeerde?
Hoe geloofwaardig is aangeefster, die volgens haar eigen vriendin, de [getuige 2], borderline heeft en drugsverslaafd is en zich voor die verslaving eind 2021 in een gespecialiseerde kliniek in Zuid-Afrika heeft laten behandelen?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterdie volgens haar eigen vriendin ook “
best veel loog” tegen haar eigen familie?
Hoe geloofwaardig is aangeefster, zelf nota bene werkzaam als herstel-coach, als zij het zelf vrijelijk verkiest om verdachte in huis te halen om vervolgens samen met hem de door haar zelf gekochte alcohol en harddrugs te gaan consumeren?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterals zij aangeeft dat verdachte de eerste avond vanwege de avondklok was blijven slapen, terwijl de dagen daarna sprake zou zijn geweest van quarantaine?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterals zij verklaart dat ze tot de vrijdagochtend wakker waren gebleven en geen seks hadden gehad, dat zij tot die ochtend had volgehouden haar grens te bewaken en dat zij de seks daarna over zich heen heeft laten komen, terwijl verdachte heeft verklaard dat de seks op de donderdagavond meteen is begonnen en de hele nacht is doorgegaan?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterdie naar verluid tot 2x toe in een TBS-kliniek zou zijn ontslagen vanwege een te innige relatie met een patiënt (zoals zij overigens ook door het RIBW om die reden is ontslagen)?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterals zij op zaterdagavond 24 april 2021 verdachte gewoon weer binnen laat in haar huis, nadat hij geruime tijd eerder die dag zijn komst had aangekondigd, terwijl zij zelfs niet eens de moeite nam om een derde daarvan op de hoogte te stellen (dit terwijl die zaterdag voorafgaande aan de komst van verdachte allerlei mensen bij aangeefster in huis waren geweest, Vgl. aangifte p. 20)?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterals zij verklaart dat zij zou zijn verkracht en vervolgens verdachte weer mee naar boven neemt en met oordoppen in met haar hoofd onder de dekens zegt te zijn gaan liggen? Dat ze zou zijn gaan slapen, terwijl verdachte beweerdelijk dingen deed die ze niet wilde?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterals zij verklaart dat zij, op meerdere momenten, zou zijn verkracht maar het vervolgens toch verkiest om na gedane zaken gewoon nog weer geruime tijd samen met verdachte in de woning te blijven en verdachte uiteindelijk met de auto weer netjes naar zijn eigen huis terug brengt maar vervolgens niet linea recta doorrijdt naar de politie?
Hoe geloofwaardig is aangeefsterdie in de weken na de beweerdelijke verkrachting dagelijks appt met verdachte en
keer op keer voor het slapen gaan met hem uitgebreid gaat videobellen, bij welke gelegenheden de meest triviale gespreksonderwerpen passeren?
Na kennisneming van al het WhatsApp-verkeer tussen verdachte en aangeefster (zie hierna) blijkt zonneklaar, dat aangeefster in haar aangifte uitlatingen heeft gedaan die totaal niet stroken met de inhoud van de litigieuze app-berichten.
Voor wat betreft de voor een bewezenverklaring verlangde dwang meent de verdediging dat hetgeen verdachte hierover heeft verklaard, namelijk dat daarvan absoluut geen sprake is geweest, (veel) meer geloof verdient dan aangeefster.
In dat kader wil ik uw Hof het navolgende citaat uit het NIFP-voorgeleidingsconsult van [psychiater] nog eens voorhouden:

Hij maakt een relaxte indruk wekt in de loop van het gesprek hoe langer hoe meer sympathie en onderzoeker merkt ook dat hij een neiging ontwikkelt om hetgeen betrokkene vertelt (...) te geloven”.
Overigens, ook als uw Hof de verklaring van aangeefster geloofwaardiger zou achten dan die van verdachte, dan nog is alsdan niet per se gezegd dat uw Hof uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan verkrijgen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt. Daarvoor is meer nodig dan de enkele vaststelling, dat de ene verklaring geloofwaardiger is dan de andere.
Op z’n minst(!) heeft in casu te gelden, aldus de verdediging, dat er wel dermate veel twijfel over bestaat of de seksuele handelingen onder dwang – volgens aangeefster - danwel vrijwillig – volgens verdachte - hebben plaats gevonden, dat enkel vrijspraak de resultante van de litigieuze verdenking kan en mag zijn. Verdachte dient hoe dan ook het voordeel van de twijfel te krijgen (in dubio pre reo).
Nu naar de overtuiging van de verdediging apert niet is komen vast te staan, dat welke seksuele handelingen ook onder dwang hebben plaatsgevonden, dient uw Hof verdachte dus ook in hoger beroep integraal vrij te spreken van het hem onder 1 tenlastegelegde.”
3.3
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter alleen verplicht is te reageren op een verweer inzake de betrouwbaarheid als het aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro. [1] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is slechts sprake als het een standpunt is dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [2]
3.4
Het hof heeft het hiervoor geciteerde onderdeel van de pleitnota kennelijk niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Hetgeen door de raadsman van de verdachte is aangevoerd over de geloofwaardigheid van de aangeefster, heeft het hof kennelijk opgevat als onderbouwing van een algemener bewijsverweer.
3.5
Mede in aanmerking genomen dat de uitleg van door de verdediging gevoerde verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de in de pleitnota opgenomen opsomming van redenen waarom de aangeefster niet “geloofwaardig” zou zijn, er uiteindelijk toe leidt dat de verklaring van de verdachte “(veel) meer geloof verdient” dan de verklaring van de aangeefster. Het betoog van de raadsman zinspeelt daarmee met name op de weging en waardering van de verschillende verklaringen en op de rechterlijke overtuiging die nodig is om tot een bewezenverklaring te komen, en niet zozeer op de specifieke vraag of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en de daaropvolgende vraag of deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dat het de raadsman vooral om die overtuiging te doen is, blijkt ook uit de eerste drie alinea’s van het hiervoor geciteerde onderdeel van de pleitnota. Het gehele betoog van de raadsman resulteert vervolgens in de algemene conclusie dat de verdachte in hoger beroep integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting. De ondubbelzinnige conclusie dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten wordt daaraan niet verbonden. [3]
3.6
Het algemene standpunt van de raadsman dat de verdachte moet worden vrijgesproken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs vindt zijn weerlegging in de (promis)bewijsoverweging van het hof, waarin het heeft uitgelegd waarom er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op art. 359 lid 2 Sv Pro, in dit opzicht niet gehouden.
3.7
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel richt zich eveneens tegen de bewezenverklaring en bevat – gelezen in samenhang met de toelichting – de klacht dat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv Pro.
4.2
Het hof heeft in zijn hiervoor onder 2.2 geciteerde bewijsoverweging een uitgebreid juridisch kader weergegeven, waarin ook het beoordelingskader voor art. 342 lid 2 Sv Pro op een juiste manier wordt uiteengezet. Nu het middel niet klaagt over dit door het hof toegepaste beoordelingskader, zal ik hierover wat korter zijn en slechts de kern daarvan herhalen. Die kern is dat de verklaring van één getuige niet voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen, maar er daarvoor – ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing – nog een andere bewijsbron nodig is die voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. [4] Steunbewijs kan bijvoorbeeld worden gevonden in bewijsmiddelen over de door derden waargenomen emoties van het slachtoffer na het delict, maar ook uitlatingen van de verdachte zelf tegenover derden kunnen zelfstandig voldoende steunbewijs opleveren. [5]
4.3
Zoals ik hiervoor al opmerkte, heeft de rechtbank de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van de ten laste gelegde verkrachting, omdat niet was voldaan aan het bewijsminimum als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro. De kernoverweging van de rechtbank houdt het volgende in:
“De rechtbank is van oordeel dat het dossier hiervoor onvoldoende steunbewijs bevat. De disclosure getuigenverklaring van [getuige 2] is niet solide genoeg naar het oordeel van de rechtbank. Uit de whatsapp-gesprekken tussen verdachte en [getuige 1], gevoerd daags na het weekend dat verdachte met aangeefster doorbracht, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat verdachte bekent aangeefster te hebben gedwongen tot het hebben van seks. Het kan ook zo zijn dat verdachte aan [getuige 1] de lezing van aangeefster vertelt en aangeeft waar aangeefster hem van beschuldigt. Ook zijn schuldbewuste toon in de appjes aan aangeefster kan anders worden geïnterpreteerd dan als een schuldbekentenis.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, omdat niet is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid Sv voorgeschreven bewijsminimum, verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank merkt uitdrukkelijk op dat hiermee geen oordeel wordt gegeven over de betrouwbaarheid van de aangifte.”
4.4
Het hof is op grond van hetzelfde bewijsmateriaal wel tot een bewezenverklaring van verkrachting gekomen. Uit de bewijsoverweging van het hof blijkt dat het de door de rechtbank genoemde WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de [getuige 1] anders heeft gewogen dan de rechtbank en heeft geoordeeld dat deze berichten deels bevestigen wat aangeefster heeft verklaard. Met name op grond van een specifieke passage uit de berichten kan volgens het hof worden afgeleid dat de verdachte zijn penis tegen haar wil diep in haar mond heeft geduwd en in haar gezicht heeft geslagen. Anders dan de rechtbank, interpreteert het hof deze berichten zo dat de verdachte hiermee aangeeft dat hij de aangeefster heeft gedwongen tot orale seks.
4.5
Als van deze interpretatie van de WhatsApp-berichten door het hof kan worden uitgegaan, is wat mij betreft zonneklaar dat deze berichten voldoende steun bieden aan de verklaring van de aangeefster en dat aldus geen sprake is van een schending van art. 342 lid 2 Sv Pro. De insteek van het middel is daarom – zo blijkt uit de toelichting – dat het hof de WhatsApp-berichten verkeerd heeft geïnterpreteerd. De steller van het middel betoogt dat het hof ten onrechte uit de WhatsApp-berichten heeft geconcludeerd dat de verdachte wist dat hij handelingen verrichtte die de aangeefster niet wilde en dat de verdachte in deze berichten aangeeft dat hij de aangeefster heeft gedwongen tot orale seks. In dat verband wordt aangevoerd dat de verdachte in de berichten namelijk slechts de lezing van de aangeefster heeft willen verwoorden en dus enkel aan de [getuige 1] heeft verteld wat de aangeefster tegen hem had gezegd. Daarom zou de conclusie moeten zijn dat de verklaring van de aangeefster geen steun vindt in de WhatsApp-berichten.
4.6
In de bewijsoverweging van het hof ligt naar mijn oordeel besloten dat het hof het niet eens is met de in hoger beroep betrokken stelling van de verdachte dat hij in deze WhatsApp-berichten slechts de lezing van de aangeefster heeft verwoord. Het hof leidt uit de berichten immers af dat de verdachte daarin ‘aangeeft’ dat hij aangeefster heeft gedwongen tot orale seks. Hoewel het hof zich in zijn bewijsoverweging wat ongelukkig uitdrukt door te overwegen dat de lezing van de verdachte ‘daar niet aan afdoet’, acht ik dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Noch in de tekst, noch in de context van de door het hof geciteerde passage uit de WhatsApp-berichten zie ik enig aanknopingspunt voor de stelling dat de verdachte hier slechts herhaalt wat de aangeefster tegen hem heeft gezegd.
4.7
Voorts meen ik, anders dan de steller van het middel, dat de door het hof gegeven interpretatie van de WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de [getuige 1] niet onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal – en in dit geval dus ook de interpretatie van de WhatsApp-berichten – in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter. [6] Het hof heeft uit de in de bewijsoverweging geciteerde passage in de WhatsApp-berichten kunnen afleiden dat de verdachte zijn penis diep in haar mond heeft geduwd en in haar gezicht heeft geslagen. Dat de verdachte bovendien wist dat de aangeefster dat niet wilde, heeft het hof vervolgens niet onbegrijpelijk gebaseerd op de passages “maar ze had het kunnen afkappen toch” en het daarop volgende antwoord van de verdachte “Nou dat wou ze dus”.
4.8
Gelet op het voorgaande, bieden de WhatsApp-berichten van de verdachte aan de [getuige 1] dus voldoende steun aan de verklaring van de aangeefster. Van een schending van art. 342 lid 2 Sv Pro is geen sprake.
4.9
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen. Nu de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde verkrachting, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit door het hof, ligt afdoening van de middelen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering niet in de rede. [7]
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3.
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
3.Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493,
4.Vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095, rov. 2.3, waarin wordt verwezen naar HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
5.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens voor een overzicht van categorieën van bewijsmiddelen die in de praktijk als steunbewijs worden gebruikt: ECLI:NL:PHR:2024:356, onder 8 e.v. Voor zaken waarin de uitlatingen van de verdachte zelf als steunbewijs werden aangemerkt, wordt in die conclusie bijvoorbeeld gewezen op HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484, rov. 2.5 en HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946,
6.Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.2.
7.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. Keijzer, rov. 2.5.