Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde zijn oordeel mede op een brief van het CBR waarin het besluit tot ongeldigverklaring werd meegedeeld.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat niet was bewezen dat het besluit aan hem bekend was gemaakt. De advocaat-generaal concludeerde dat het bewijs ontoereikend was omdat de gebruikte bewijsmiddelen geen aanwijzingen bevatten over verzending of ontvangst van de brief door de verdachte.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling waarbij het bewijs van kennis van het besluit adequaat moet worden vastgesteld. Hiermee wordt de rechtsgang voortgezet met inachtneming van de juiste motivering van de bewezenverklaring.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.