ECLI:NL:PHR:2024:904

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
4 september 2024
Zaaknummer
23/03700
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 124 WVW 1994Art. 132 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs bekendmaking ongeldigverklaring rijbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 10 december 2020 met een ongeldig verklaard rijbewijs een motorrijtuig bestuurde. Het hof baseerde de bewezenverklaring op een besluit van het CBR van 2 oktober 2018 waarin het rijbewijs van de verdachte ongeldig werd verklaard, en op diverse bewijsmiddelen waaronder een proces-verbaal en een RDW-uitdraai.

De verdediging stelde in cassatie dat niet was bewezen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte was bekendgemaakt. De Hoge Raad bevestigt dat voor een bewezenverklaring vereist is dat het besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en dat zeven dagen zijn verstreken na die bekendmaking. Uit het dossier bleek echter geen bewijs van verzending of ontvangst van het besluit aan de verdachte.

Daarom is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd en slaagt het cassatiemiddel. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling. Er zijn geen andere gronden gevonden om het arrest te vernietigen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de bewijsvereisten bij overtredingen van artikel 9 lid 2 WVW Pro 1994, met name de noodzaak van bewijs van bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/03700

Zitting24 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 september 2023 het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de toepasselijke wettelijke voorschriften vernietigd en heeft in zoverre opnieuw recht gedaan. Het hof heeft de verdachte wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte heeft J. van der Stel, advocaat in Schiedam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen ten onrechte tot een bewezenverklaring van overtreding van art. 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is gekomen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 10 december 2020 te Delft terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, A13, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
5. De door het hof overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis in eerste aanleg houden het volgende in:

“Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

De politierechter heeft voor de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
- Het artikel 9 WVW Pro proces-verbaal, opgemaakt op 10 december 2020, nr. pll500/101220200145122347, voor zover inhoudende:
Proces-verbaal van overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994
Datum feit: 10 december 2020 om 01:45 uur.
Locatie: op de voor het openbaar verkeer openstaande weg buiten de bebouwde
kom, A3 (rechts) ter hoogte van hectometerpaaltje 12.0 te Delft.
Ik, verbalisant, [verbalisant] verklaar het volgende:
Ik zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op
genoemde weg/locatie.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
[…]
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB.
als de op 10 december 2020 tegenover deze agent afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende:
"Ik wist niet dat ik niet mocht rijden. Het CBR heeft mij gezegd dat ik een nieuw rijbewijs aan mocht vragen en dat ik gewoon weer mocht rijden. Ik ben mijn rijbewijs kwijt geraakt in 2018 door alcohol daarna moest ik een cursus doen. Die heb ik wel betaald maar nog niet gedaan omdat er corona was. Ik heb ook even vastgezeten in het buitenland en daarom is het er nog niet van gekomen.
- een RDW-uitdraai d.d. 10 december 2020, behorende bij voornoemd proces-verbaaI, inhoudende (bladzijde 3):
NL-RDW
Volgnummer: 1
Soort: Vorderingsprocedure
Autoriteit: CBR Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)
Registratie: 27-06-2018
VORDERING
Schorsingperiode: vanaf 27-06-2018 t/m 09-10-2018
Ingeleverd bij: Cbr Diviesie Vorderingen
CBR dossiernummer: 2018010895
Feitelijke inleverdatum schorsing: 10-07-2018
Ingang ongeldigverklaring: 02-10-2018
Reden ongeldigverklaring: Geschiktheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 09-10-2018
CATEGORIEËN
Categorie: B
Periode vanaf 09-10-2018
Soort: Ongeldigheid
- Het geschrift, te weten het besluit van het CBR van 2 oktober 2018 waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte per 9 oktober 2018 ongeldig is verklaard.”
6. Het als bewijsmiddel gebruikte besluit van het CBR van 2 oktober 2018 heeft de volgende inhoud:

“AANGETEKEND

[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Dossiernummer 2018010895 Datum 2 oktober 2018

Onderwerp Besluit: rijbewijs ongeldig

Geachte [verdachte],
Op 27 juni 2018 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 9 oktober 2018. En mag u niet meer rijden. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.
[…].”
7. De bewezenverklaring is gebaseerd op de eerste volzin van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994, die luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
8. Over het bewijs van overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 heeft de Hoge Raad in een arrest van 9 juli 2019 – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“2.4.2. Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en Pro 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.” [1]
9. De steller van het middel voert onder meer aan dat zich geen bewijs van verzending van het besluit door het CBR bij de bewijsmiddelen bevindt en dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt.
10. Daarover het volgende. Het hof heeft de hierboven weergegeven brief van het CBR aan de verdachte van 2 oktober 2018 voor het bewijs gebruikt. In deze brief is het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte (van 2 oktober 2012) weergegeven. De bewijsmiddelen bevatten echter geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze die brief daadwerkelijk aan de verdachte is verzonden. [2] Nu ook overigens niet blijkt dat het besluit aan de verdachte is bekendgemaakt, betekent dit dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. [3] Dat maakt dat het restant van het middel niet hoeft te worden besproken.

Slotsom

11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146,
2.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8.6.
3.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 21 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:512 en het daaropvolgende arrest van de HR van 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1110.