ECLI:NL:PHR:2024:904
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs bekendmaking ongeldigverklaring rijbewijs
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 10 december 2020 met een ongeldig verklaard rijbewijs een motorrijtuig bestuurde. Het hof baseerde de bewezenverklaring op een besluit van het CBR van 2 oktober 2018 waarin het rijbewijs van de verdachte ongeldig werd verklaard, en op diverse bewijsmiddelen waaronder een proces-verbaal en een RDW-uitdraai.
De verdediging stelde in cassatie dat niet was bewezen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte was bekendgemaakt. De Hoge Raad bevestigt dat voor een bewezenverklaring vereist is dat het besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en dat zeven dagen zijn verstreken na die bekendmaking. Uit het dossier bleek echter geen bewijs van verzending of ontvangst van het besluit aan de verdachte.
Daarom is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd en slaagt het cassatiemiddel. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling. Er zijn geen andere gronden gevonden om het arrest te vernietigen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de bewijsvereisten bij overtredingen van artikel 9 lid 2 WVW Pro 1994, met name de noodzaak van bewijs van bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en de zaak wordt terugverwezen.