ECLI:NL:PHR:2024:1240

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
22/04534
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 124 lid 3 WVW 1994Art. 132 lid 4 WVW 1994
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontoereikende bewezenverklaring ongeldigverklaring rijbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het rijden terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde de bewezenverklaring onder meer op een besluit van het CBR tot ongeldigverklaring, ontvangstbevestigingen van cursusbetalingen door de verdachte en de constatering dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdediging stelde in cassatie dat niet was bewezen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte was bekendgemaakt.

De Hoge Raad oordeelde dat voor een bewezenverklaring op grond van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 vereist is dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte is bekendgemaakt en dat daarna zeven dagen zijn verstreken. Hoewel het hof aannam dat betaling voor een cursus impliceert dat de verdachte op de hoogte was van het besluit, ontbrak een directe aanwijzing of bewijs van daadwerkelijke bekendmaking van het besluit aan de verdachte.

Daarmee was de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling. De overige middelen werden niet behandeld omdat het hoofdverweer slaagde.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling wegens ontoereikende bewezenverklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04534
Zitting19 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 november 2022 het vonnis van beroep, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “overtreding van art. 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, bevestigd met uitzondering van de straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Namens de verdachte heeft R. Moghni, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan hem is bekendgemaakt.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 juli 2019 te ’s-Gravenhage terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Prinsengracht, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd”
2.3
De door het hof overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis in eerste aanleg houden het volgende in:
“- Het proces-verbaal van artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994, d.d. 28 juli 2019, nr. PL1500-2019210160, van de politie eenheid Den Haag, voor zover inhoudende:
Datum feit: 28 juli 2019
Weg/locatie: Prinsengracht
Plaats: Den Haag
Naam : [verdachte]
Voorna(a)m(en) : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]
Woonadres(NL) : [a-straat 1]
Postcode : [postcode] Woonplaats: [plaats]
Ik, bovengenoemde verbalisant, zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie.
Ongeldig verklaard rijbewijs
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
De verdachte is eerder aangehouden voor artikel 9 wegenverkeerswet Pro 1994. De verdachte reed toen in het zelfde voertuig. Het voertuig staat op naam van de broer van de verdachte. Echter is de verdachte de regelmatige bestuurder van dit voertuig. De broer van de verdachte is destijds verteld dat de verdachte niet mocht rilden.
Wij zagen dat de verdachte in genoemd voertuig reed. Het was ons ambtshalve bekend dat de verdachte zonder geldig rijbewijs reed. Derhalve de verdachte een stopteken gegeven.
- een RDW-uitdraai d.d. 28 juli 2019, inhoudende:
NL-RDW
Volgnummer 3
Soort: Vorderingsprocedure
Autoriteit: Cbr Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)
Registratie: 15-05-2019
VORDERING
CBR dossiernummer [nummer]
Ingang ongeldigverklaring 15-05-2019
Reden ongeldigverklaring Rijvaardigheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 04-06-2019
CATEGORIEËN
Categorie: B
Periode vanaf 22-05-2019
Soort: Ongeldigheid
- Het geschrift, te weten het besluit van het CBR van 15 mei 2019 waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte per 22 mei 2019 ongeldig is verklaard. In de bijlage bij dit besluit staat -kortgezegd- vermeld: Hoe krijgt u een nieuw rijbewijs? Aanmelding voor cursus, gevolgd door betaling cursuskosten en oproep voor cursus.
- Het geschrift, te weten de brief van het CBR met onderwerp: Ontvangstbevestiging kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag, d.d. 7 juni 2019 en 6 augustus 2019, voor zover inhoudende:
“We hebben uw betaling ontvangen. Het gaat om de kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag.”
2.4
Het hof heeft de volgende bewijsoverweging van de rechtbank bevestigd:
“De politierechter is van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft twee keer een bevestiging van betaling van de cursus gekregen, namelijk op 7 juni 2019 en op 6 augustus 2019. Een cursus wordt doorgaans betaald om van het ongeldig verklaarde rijbewijs af te kunnen komen. In een brief van 6 juni 2019 wordt aangegeven dat verdachte zich voor de cursus wilt aanmelden maar dat eerst de kosten voor de cursus betaald moeten worden. Op 18 juli 2019 is een brief verzonden waarin staat dat het rijbewijs ongeldig blijft (vanwege niet meewerken aan de cursus na oproep daarvoor) en op 2 augustus 2019 is een brief verzonden waarin de verdachte weer wordt aangemeld voor de cursus. De verdachte heeft twee keer betaald en hij had daarom redelijkerwijs moeten weten dat dit was om zijn rijbewijs terug te krijgen, zoals in de bijlage bij het besluit ongeldigheid staat vermeld. De politierechter is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.”
2.5
Uit de aantekening mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 november 2022 blijkt dat het hof verder het volgende heeft overwogen:
“Aan de door de politierechter gebezigde bewijsoverweging voegt het hof toe dat met name uit de genoemde ontvangstbevestigingen kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag van 7 juni respectievelijk 6 augustus 2019 blijkt dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs op 28 juli 2019 ongeldig was verklaard.”
2.6
De bewezenverklaring is gebaseerd op art. 9 lid Pro 2, eerste volzin, WVW 1994, dat luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
2.7
Over het bewijs van overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 heeft de Hoge Raad – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid Pro 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en Pro 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en Pro 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.” [1]
2.8
De steller van het middel voert onder meer aan dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt.
2.9
Uit de brief van het CBR aan de verdachte van 15 mei 2019 blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard. In de bijlage van deze brief staat dat de verdachte een nieuw rijbewijs kan krijgen door te betalen voor en deel te nemen aan een cursus over verantwoord rijgedrag. Het hof heeft op basis van de brief van 7 juni 2019, inhoudende een ontvangstbevestiging van de kosten voor de cursus, vastgesteld dat de verdachte voor de cursus heeft betaald. Kennelijk is het hof van oordeel dat uit het feit dat de verdachte voor de cursus heeft betaald, volgt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geraakt van het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
2.1
Het hof heeft de hierboven weergegeven brief van het CBR aan de verdachte van 15 mei 2019 voor het bewijs gebruikt. In deze brief is het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte weergegeven. De bewijsmiddelen bevatten echter geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze die brief daadwerkelijk aan de verdachte is verzonden. [2] De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft betaald voor een cursus over onverantwoord rijgedrag lijkt mij onvoldoende voor het oordeel dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte is bekendgemaakt. Daaruit volgt immers niet zonder meer dat die cursus gevolgd zou worden juist omdat de verdachte het besluit tot ongeldigverklaring heeft ontvangen. Nu niet blijkt dat het besluit aan de verdachte is bekendgemaakt, betekent dit dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd. [3] Dat maakt dat het restant van het middel niet hoeft te worden besproken. Indien de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, ben ik graag bereid nader te concluderen.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1110, r.o. 2.3.
2.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8.6.
3.Vgl. mijn conclusie van 24 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:904, onder 10 en het daaropvolgende arrest HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1575, r.o. 2.2. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 21 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:512, onder 14 en het daaropvolgende arrest HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1110, r.o. 2.4.