Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €52.110, waarvan een bedrag van €13.700 niet in mindering werd gebracht bij de kasopstelling. Het hof maakte gebruik van de methode van eenvoudige kasopstelling volgens art. 36e.3 Sr (oud). De betrokkene stelde in cassatie onder meer vragen over de motivering van de kasopstelling, de weglating van een bedrag van €1.000 en de wijze waarop het hof rekening hield met leningen die de betrokkene had aangevoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de betrokkene niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Tevens werd overwogen dat het hof terecht had geoordeeld over de overschrijding van de redelijke termijn in de feitelijke aanleg, waarbij al rekening was gehouden met die overschrijding in de strafzaak.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Caminada en Trotman, en uitgesproken op 12 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.