Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 november 2024.
Hoge Raad
Verzoekster, geboren in Somalië en woonachtig in Groot-Brittannië, verzocht om wijziging van haar geboortedatum in de vervangende geboorteakte die in 2013 was vastgesteld door de rechtbank Den Haag. De rechtbank wees het verzoek af wegens gebrek aan bewijs en onvoldoende onderbouwing van hinder door de huidige datum. Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het bewijsaanbod van verzoekster, waaronder het horen van haar moeder als getuige, als niet ter zake doende.
In cassatie klaagde verzoekster dat het hof ten onrechte het aanbod om haar moeder als getuige te horen had gepasseerd, terwijl juist haar moeder het beste kon getuigen over de juiste geboortedatum. De Hoge Raad oordeelde dat in een procedure op grond van art. 1:25d BW het horen van getuigen mogelijk moet zijn, overeenkomstig art. 166 Rv Pro, en dat het hof dit ten onrechte had uitgesloten zonder voldoende motivering.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het bewijsaanbod van verzoekster opnieuw in overweging moet worden genomen. Hiermee wordt de mogelijkheid geopend om de geboortedatum alsnog te wijzigen indien het bewijs dit rechtvaardigt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij het bewijsaanbod om de moeder als getuige te horen opnieuw moet worden overwogen.