Conclusie
1.Inleiding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
113. The Court has also held that respect for private life requires that everyone should be able to establish details of their identity as individual human beings (see Mennesson v. France, no. 65192/11, § 96, ECHR 2014 (extracts)). It has also acknowledged the important repercussions that the regulation on birth registration (…) can have on personal autonomy (…).
(…)
115. The principles applicable to assessing a State’s positive and negative obligations under the Convention are similar. Regard must be had to the fair balance that has to be struck between the competing interests of the individual and of the community as a whole (…).
(…)
118. The Court would start by noting that (…) obstacles in obtaining birth registration (…) can have a serious impact on a persons’ sense of identity as an individual human being. In addition, the lack of birth registration (…) can cause significant problems in a person’s daily life, in particular at the administrative level (…) and educational level. Not being able to establish details of a person’s identity thus interferes with personal autonomy and is directly related to the right to respect for private life as established under Article 8 of the Convention. The importance of obtaining birth registration (…) has also been underlined by other international bodies. (…) In the light of the above, the Court concludes that the right to respect for private life under Article 8 of the Convention should be seen as including, in principle, an individual right to have one’s birth registered (…).
119. The right to obtain a birth certificate (…) from the relevant State authorities for persons under their jurisdiction is of course subject to the individual concerned fulfilling a number of substantive and procedural requirements provided for by domestic law. (…) The Court is of the view that safeguarding the consistency and reliability of civil registries and, more broadly, legal certainty, is an important goal in the general interest and justifies, as a matter of principle, strict procedures to register birth, in particular, when it has taken place outside the concerned State’s territory. For the Court, States enjoy a wide margin of appreciation concerning the appropriate means of securing the enjoyment of the right to birth registration (…)flowing from Article 8 of the Convention, but as long as the relevant legal requirements are met, the State is under an obligation to issue birth certificates (…) in order to preserve the right to respect for private life.”
- een geboorteakte na aangifte van de geboorte van een in Nederland geboren persoon (art. 1:19 e.v. BW);
- een buitenlandse geboorteakte (art. 1:25 e.v. BW); of
- een vervangende geboorteakte voor een buiten Nederland geboren persoon (art. 1:25c e.v. BW).
a. die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;
b. die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van dit boek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
overtuigend bewijsis voor het vaststellen van de verzochte geboortedatum, maar er wel
voldoende aanwijzingenzijn voor die datum, de rechter die datum vaststelt. Daarbij geeft de rechter zich rekenschap van de onzekerheid die deze vaststelling van een onzekere datum met zich brengt. In dat kader weegt de rechter in een aantal zaken het belang van de verzoeker bij het vaststellen van een onzekere geboortedatum enerzijds en het belang van openbare orde dat geen onzekere gegevens in de registers van de burgerlijke stand opgenomen zouden moeten worden anderzijds, waarbij in deze zaken het eerste belang zwaarder weegt, mede omdat de anders vast te stellen datum een fictieve datum zou zijn, die evenmin zeker is. [22]
Beoordeling
fictievedatum is, wordt een op artikel 1:24 BW Pro gebaseerd verzoek tot verbetering van de geboorteakte overeenkomstig de gestelde – fictieve − datum afgewezen met een beroep op het openbare belang van betrouwbare registers in verband met de dwingende bewijskracht van geboorteakten. [29]
onzekeregestelde datum. In die gevallen maakt de rechter een belangenafweging tussen het belang van verzoeker bij wijziging van de geboortedatum enerzijds en het openbaar belang bij betrouwbare registers anderzijds. In de onderzochte uitspraken woog het openbare belang van betrouwbare registers zwaarder. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 22 juli 2009, r.o. 9: [31]
productie 5aan dit appelschrift gehecht wordt. Uit deze verklaring volgt dat appellante is geboren op [geboortedatum 2] 1987 en wel in [plaats] , Somalië. De moeder van appellante geeft aan dat zij op het moment dat het gehoor werd afgenomen zij de Nederlandse taal niet sprak of kon lezen. Zij geeft aan dat zij weldegelijk [geboortedatum 2] 1987 heeft genoemd als datum. Zij begrijpt niet hoe het kan dat er toch [geboortedatum 3] 1987 is opgenomen in het betreffende IND rapport. Dit werd pas later door de moeder van appellante opgemerkt.
allebewijzen en aanwijzingen. Zoals ik hiervoor onder 3.37 heb betoogd, geldt deze ruime onderzoeksplicht ook voor de wijzigingsprocedure van art. 1:125d BW.
Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.
In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.
Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.