ECLI:NL:HR:2024:1743
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof Amsterdam inzake belastingaanslagen 2013
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 september 2022, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland werd behandeld. De zaak betrof de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2013, inclusief de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente.
De Staatssecretaris van Financiën heeft verweer gevoerd, en belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Verdere ingediende brieven in een latere fase van de procedure zijn door de Hoge Raad niet in behandeling genomen. Een verzoek tot wraking van belanghebbende is afgewezen.
Na beoordeling van de klachten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 29 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.