ECLI:NL:HR:2024:1744
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslag 2014
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 september 2022, waarin het hof het hoger beroep behandelde tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2014.
De Staatssecretaris van Financiën heeft verweer gevoerd en belanghebbende heeft meerdere brieven ingediend die echter in de cassatiefase geen gewicht kregen. Een verzoek om wraking van belanghebbende werd afgewezen.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende inhoudelijk beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.