ECLI:NL:HR:2024:1765

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
22/03024
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 lid 1 SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 359a SvArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
11 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en gijzeling bij oplichting na datingsitecontact

De zaak betreft een oplichting die over een periode van vier jaar plaatsvond, waarbij de verdachte via een datingsite het vertrouwen van de aangeefster won en haar een totaalbedrag van €510.009 liet uitlenen. De verdachte werd veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam, maar stelde cassatieberoep in tegen het arrest.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en deze verworpen, behalve ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de maximale duur van de gijzeling die verbonden is aan de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad stelde vast dat de gijzeling wettelijk maximaal 360 dagen mag bedragen, terwijl het hof 365 dagen had opgelegd.

Daarnaast werd de redelijke termijn overschreden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van zestien maanden (waarvan negen maanden voorwaardelijk) tot vijftien maanden en drie weken, eveneens met negen maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor deze onderdelen en wees de rest van het beroep af. Hiermee werd de straf en de gijzeling aangepast conform de wettelijke normen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijftien maanden en drie weken en de gijzeling tot 360 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03024
Datum3 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 augustus 2022, nummer 23-002131-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Barensen, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, alsmede wat betreft het aantal dagen dat de gijzeling ten hoogste kan bedragen, tot vermindering van dat aantal tot 360, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen gijzeling.
3.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).
3.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
3.4
De Hoge Raad doet verder uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dit in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro de gijzeling op 365 dagen heeft bepaald, moet worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 360 dagen;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijftien maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 december 2024.